Landbeestjes

Naast alle grotere dieren die je op het land kan tegen, zoals egels, heel veel vogels, kikkers en slangen, zijn er ook een heleboel hele kleine dieren op het land te vinden, zoals insecten en spinnen. Insecten horen zelfs bij de grootste soortgroep op de wereld, alleen in Nederland kennen we al 20.000 soorten en dan hebben we dus de spinnen nog niet eens meegeteld.

Insecten zijn heel belangrijk voor het leven op aarde. Een hele grote groep soorten insecten zorgt  namelijk voor dat alle bloemen bestoven worden, zodat er weer vruchten en daarna nieuwe planten ontstaan. Die nieuwe planten en vruchten kunnen dan weer dienen als voedsel voor een heleboel andere dieren. Helaas is de laatste tijd door onderzoekers uitgevonden dat de aantallen insecten heel veel minder zijn geworden. Dit betekent dat bloemen minder goed bestoven worden en er dus minder voedsel wordt geproduceerd. Ook insecteneters zullen moeilijker genoeg voedsel kunnen vinden.

In het park rondom de vijver staan gelukkig nog veel bloemen en kun je nog veel insecten en andere kleine landbeestjes vinden. Hieronder vind je informatie over deze soorten. Het is een lang lijst geworden, daarom hebben we soorten die bij elkaar horen naast elkaar gezet in de volgende volgorde:

- Spinnen
- Sprinkhanen
- Cicaden
- Dagvlinders
- Nachtvlinders
- Zweefvliegen
- Kevers

Spinnen

Kruisspin (Araneus diadematus)

Periode actief: hele jaar

De kruisspin is waarschijnlijk de meest bekende spin van Nederland. De kruisspin dankt haar naam aan de lichte kruisvormige tekening op het midden van de rug. De kruisspin komt veel voor in tuinen vanwege de beschutting en maakt daar de karakteristieke wielwebben. Als je aan het einde van de zomer wakker wordt en je tuin hangt ineens vol met de karakteristieke webben van deze spin dan is dat een teken dat de herfst in aantocht is. Een web wordt iedere dag opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten.

De mannetjes zijn veel kleiner dan de vrouwtjes en moeten ze erg op hun hoede zijn tijdens en vlak na de paring met hun veel grotere partners. De vrouwtjes hebben na de paring wel zin in een hapje en dan is het kleine mannetje een makkelijke prooi. Hij is dan toch in de buurt en alles waar ze hem voor nodig had, heeft ze al gekregen.  Het vrouwtje behandelt hem dan als iedere andere prooi. Ze dient één beet toe waarmee een verlammend gif geïnjecteerd wordt. Hierna wordt de prooi ingesponnen in spinrag, zodat deze zich niet meer kan bewegen. Dat pakketje wordt vervolgens opgepeuzeld of bewaardvoor later. Voor een mens kan de beet van een kruisspin pijnlijk zijn, maar het is in principe ongevaarlijk. Daarnaast gebruikt een kruisspin zijn beet alleen om prooien te verlammen en niet om zich te verdedigen. Dus alleen als je een kruisspin echt tussen je vingers probeert te klemmen kan het gebeuren dat deze je probeert te bijten.

Na de paring legt het vrouwtje enkele honderden eitjes in een speciale cocon. Deze eitjes overwinteren en in het voorjaar komen daar minuscule baby-spinnetjes uit. Na enkele vervellingen zijn ze pas aan het einde van de zomer volwassen en pas dan maken vooral de vrouwtjes de opvallende grote wielwebben. De mannetjes gaan dan op zoek naar een partner om mee te paren waarna de cyclus weer opnieuw begint. 

Verspreiding

Je kunt deze indrukwekkende spinnen door heel Nederland vinden. Ze komen overal voor waar ze in de beschutting van struiken of gebouwen een web kunnen spinnen. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar ze allemaal zijn waargenomen.

Gewone hooiwagen (Phalangium opilio)

Periode actief: hele jaar

De hooiwagens zijn een grote familie van spinachtige geleedpotigen. Deze familie bevat ook onder andere de echte spinnen, mijten, teken en schorpioenen. Nou vraag je je misschien af waarom een hooiwagen geen echte spin is. Het onderscheid zit hem echter in het lichaam. Als je goed kijkt kun je het verschil zien. Het lichaam van een echte spin, zoals de kruisspin, bestaat duidelijk uit een kopborststuk en een achterlijf. Het lichaam van een hooiwagen bestaat uit één deel. Daarnaast kunnen ze geen draden spinnen en zul je ze dus nooit in een web zien (tenzij als prooi) of aan een draad hangen. Ook hebben ze geen gifklieren. Een populair broodje aap-verhaal, namelijk dat het gif van hooiwagens erg gevaarlijk of zelfs dodelijk zou zijn maar dat ze met hun kleine kaken niet in staat zijn om door de menselijke huid heen te bijten, kan dus naar het rijk der fabelen verwezen worden. 

Ze hebben wel een andere opvallende eigenschap die ze kunnen gebruiken als ze zich bedreigd voelen. Ze kunnen namelijk hun poten afwerpen in een poging om aan een roofdier te ontsnappen. De poten blijven dan stuiptrekkend op de grond liggen en houden daarmee vaak de aandacht van het roofdier vast zodat ze tijd hebben om zichzelf in veiligheid te brengen. Dit kunnen ze meerdere malen doen en er zijn zelfs hooiwagens waargenomen die met slechts drie poten nog in staat bleken zich effectief voort te kunnen bewegen!

Verspreiding

De meeste soorten zijn omnivoor, wat betekent dat ze zowel dierlijk als plantaardig voedsel eten. In Nederland komen een aantal soorten voor waarvan de gewone hooiwagen het meest algemeen is. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze soort allemaal is waargenomen!

Er zijn ook leuke liedjes geschreven over spinnen. Zo schreef Harrie Jekkers in 1985 het liedje 'Dag spin' en in 1986 werd door Kinderen voor Kinderen het liedje 'Spinnen' uitgebracht. Spinnen komen ook vaak voor in enge films en er zijn ook hele bekende verhalen van de spin Anansi. Deze verhalen komen uit West-Afrika en het Caribische gebied. Anansi is een slimme, sluwe spin met magische krachten.

Sprinkhanen

Bruine sprinkhaan (Corthippus brunneus)

Periode actief: juni - september

De bruine sprinkhaan is een vrij onopvallende sprinkhaan. Door de bruine (af en toe ook groenbruine) basiskleur is hij goed gecamoufleerd. Hij lijkt behoorlijk op een aantal andere, nauw verwante sprinkhanen. De snortikker (Corthippus mollis), de ratelaar (Corthippus biguttulus) en de bruine sprinkhaan lijken zelfs zo sterk op elkaar dat je ze alleen uit elkaar kunt houden door te luisteren naar het geluid dat ze maken! Het zijn echter alleen de mannetjes die geluid maken, de vrouwtjes zijn stil en zijn daarom helemaal niet van elkaar te onderscheiden.  

De bruine sprinkhaan maakt dit geluid, net zoals alle andere sprinkhanen en krekels, niet met zijn mond, maar door bepaalde lichaamsdelen langs elkaar te wrijven. Dit heet striduleren en de bruine sprinkhaan doet het bijvoorbeeld door zijn benen snel langs zijn vleugels te wrijven, kijk maar eens naar het filmpje van Roy Kleuker van EIS. Net als bij vogels kun je met veel oefening de verschillende soorten sprinkhanen en krekels veel makkelijker vinden en soms ook veel beter uit elkaar houden door goed te luisteren in plaats van alleen maar kijken.

Verspreiding

De bruine sprinkhaan is één van de meest algemene soorten sprinkhanen van Nederland. Je kunt hem in veel grasveldjes, slootkanten en bermen aantreffen. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze soort voorkomt.

Cicaden

Bloedcicade (Cercopis vulnerata)

Vliegtijd: juni - november

Bij de naam cicade denk je misschien aan de grote, luidruchtige insecten die je altijd en overal kunt horen tijdens zomervakanties in Zuid-Europa. Er zijn echter veel meer soorten cicaden en ook in Nederland komen er veel voor. De bloedcicade is er één van. Als je naar de foto kijkt is het niet moeilijk om te bedenken waar de naam vandaan komt. Het zwarte lichaam met helderrode vlekken maken het een opvallend beestje. Net als sprinkhanen en veel andere soorten cicaden heeft de bloedcicade krachtige achterpoten. Hij kan hiermee goed springen en hij gebruikt deze poten dan ook om bij onraad pijlsnel weg te schieten. Vliegen kunnen ze wel maar doen ze eigenlijk amper. 

De bloedcicade behoort binnen de cicaden tot een bijzondere groep, de schuimcicaden of ‘spuugbeestjes’. Deze grappige naam hebben ze te danken aan het feit dat de jonge dieren (die geen larven maar nimfen worden genoemd omdat ze geen verpopping doormaken) schuimnestjes maken om zichzelf te beschermen. In deze nestjes zijn ze beschermd tegen roofdieren (het schuim is vies), uitdroging, kou en hitte. De schuimnestjes van de nimfen van de bloedcicade zie je zelden omdat ze onder de grond gemaakt worden. De nimfen voeden zich hier met sappen van plantenwortelen (hier wordt ook het schuimnest van gemaakt). Een andere algemene soort van de familie is het schuimbeestje. Deze soort maakt de schuimnesten bovengronds (vaak in pinksterbloemen) en deze kun je dan ook regelmatig vinden in het voorjaar. 

Verspreiding

De bloedcicade is een algemene soort die door vrijwel heel Nederland te vinden is. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar de soort allemaal is waargenomen.

Dagvlinders

Dagpauwoog (Aglais io)

Vliegtijd: maart - september

Deze vlinder is goed te herkennen aan de grote blauwe oogvlekken op de rode vleugels, net als de ‘ogen’ op de veren van een pauw. De dagpauwoog is een grote vlinder. Met opengevouwen vleugels is dit dier bijna 6 cm breed.

De dagpauwoog legt haar eitjes aan de onderkant van bladeren van de grote brandnetel. De eitjes lijken net hoopjes van 200 tot 300 kleine groene kraaltjes. Na 7 dagen komen de rupsen uit het ei en leven dan ongeveer 24 dagen tot ze gaan verpoppen. De rupsen zijn zwart met witte stippeltjes. Over het hele lichaam staan zwarte stekelharen. De rups heeft ongeveer 12 dagen nodig om van pop te veranderen in een vlinder. Als het winter wordt zoekt deze vlinder een beschut plekje om te overwinteren, bijvoorbeeld in een schuur. Als het weer voorjaar is kan ze direct eitjes gaan leggen.

Verspreiding

De dagpauwoog komt in heel Nederland voor. Je kan deze vlinder in veel verschillende gebieden tegenkomen, zoals tuinen, bosranden en graslanden. Klik op het kaartje om te zien waar deze soort pas nog is ontdekt.

Kleine vos (Aglais urticae)

Vliegtijd: februari - december

De kleine vos is een oranjebruine vlinder, maar het belangrijkste kenmerk is de rand met blauwe stipjes die langs de vleugels loopt. De kleine vos is 4,8 cm breed met de vleugels helemaal opengesperd, dit is een gemiddelde grootte.

Deze vlinder legt eitjes aan de onderkant van jonge bladeren van de grote brandnetel, gemiddeld worden 800 eitjes gelegd. Die eitjes lijken wel op hoopjes kleine groene kraaltjes. De rupsen komen na 8 dagen uit het ei en leven dan 18 dagen als rups tot ze gaan verpoppen. De rupsen zijn zwart met lange rijen gele vlekjes en borstelige uitsteeksels. Na 10 dagen in de pop komt de vlinder tevoorschijn.
  

Verspreiding

De kleine vos komt in heel Nederland voor in open veld met mooie struweelranden. Klik op het kaartje om te zien waar deze soort pas nog is ontdekt.

Oranjetipje (Antocharis cardamines)

Vliegtijd: maart - juni

Deze vlinder dankt zijn naam aan de oranje vleugelpunten, want verder is het dier wit met zwart-gele vlekken op de onderkant van de vleugel. Overigens heeft alleen het mannetje deze oranje vlekken. Het vrouwtje lijkt heel erg op een koolwitje. Het oranjetipje heeft een gemiddelde grootte. Met de vleugels uitgespreid is dit dier 4,4 cm breed.

Het oranjetipje legt haar eitjes op de pinksterbloem of op look-zonder-look. Het eitje, een langwerpig oranje kraaltje, kan je vinden in de hoek (oksel) van de stengel met een bloemsteeltje. Meestal wordt er maar 1eitje per plant afgezet. Na 5 dagen komen de rupsen al uit het ei en leven dan 16 dagen tot ze gaan verpoppen. De rupsen zijn lang en smal. De kleur is licht groen met donkergroene stippeltjes. Langs de zijkant van het lichaam zit een witte band. Het hele lichaam is dun behaard. De rupsen van het oranjetipje blijven bijna een jaar lang in de pop.

Verspreiding

Doordat het madeliefje eigenlijk overal kan groeien, vind je dit plantje ook verspreid door heel Nederland. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze plant nu groeit.

Hooibeestje (Coenonympha pamphilus)

Vliegtijd: februari - oktober

De bovenkant van de vleugels van deze soort is licht oranjebruin zonder opvallende vlekken. De onderkant van de voorvleugels is meestal felgekleurd met een oogvlek. Het hooibeestje is niet zo groot, maar 3,3 cm breed als de vleugels helemaal opengevouwen zijn.

Het hooibeestje legt haar eitjes op de bladeren van verschillende grassen. Het eitje lijkt op een wittig speldenknopje. Na 13 dagen komen de rupsen uit het ei en leven dan 35 tot 60 dagen tot ze gaan verpoppen. De rupsen zijn felgroen met een lichte streep langs de zijkant van het lichaam en een donkere streep over de rug. Na 14 dagen in de pop is de rups veranderd in een vlinder.

Verspreiding

Het hooibeestje komt bijna in heel Nederland voor in graslanden met weinig voedingsstoffen. Klik op het kaartje om te zien waar deze soort pas nog is gevonden. 

Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni)

Vliegtijd: maart - oktober

Deze vlinder is vrij groot, namelijk 6 cm breed als de vleugels opengesperd zijn. De mannetjes hebben citroengele vleugels, terwijl de vrouwtjes groener van kleur zijn.

De citroenvlinder legt haar eitjes op sporkehout (vuilboom) en wegedoorn. Na 6 dagen komen de rupsen al uit het ei en leven dan ongeveer 32 dagen tot ze gaan verpoppen. De rupsen zijn donkergroen met een lichte rand langs de zijkant van het lichaam. In de pop veranderen de rupsen in 12 dagen in een vlinder. De citroenvlinder overwintert als vlinder tussen het gras of in dichte struiken. Soms kan je ze ook vinden in een schuur. In het voorjaar kunnen ze dan meteen beginnen met het leggen van eitjes.

Verspreiding

De citroenvlinder komt in heel Nederland voor bij open plekken in het bos of langs de bosrand en in het struweel. Ze worden ook vaak gezien in tuinen en parken. Klik op het kaartje om te bekijken waar deze soort pas nog is ontdekt.

Kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas)

Vliegtijd: maart - oktober

Dit kleine vlindertje valt op door de felle rood-oranje kleuren van vooral de voorvleugels. Deze kleur zit aan de bovenkant en aan de onderkant van de vleugels. Over de bruine bovenkant van de achtervleugels loopt een rood-oranje gekleurde band, deze is ook heel licht te zien aan de onderkant van de vleugel. De kleine vuurvlinder is 2,8 cm breed met de vleugels opengesperd, niet zo groot dus.

Deze vuurvlinder legt haar eitjes op schapenzuring. Het eitje is een klein wit bolletje. Na 6 dagen komen de rupsen al uit het ei. De rupsen zijn groen en soms hebben ze rode lijnen op het lichaam. In het voorjaar leven de rupsen 21 dagen tot ze gaan verpoppen, maar rupsen die later in het jaar uit hun eitje zijn gekropen overwinteren als rups. Zij verpoppen pas in het volgende voorjaar. Het duurt ongeveer 12 dagen voor de vlinder uit de pop komt.

Verspreiding

De kleine vuurvlinder komt verspreid door heel Nederland in lage aantallen voor. Je kan deze soort vinden in graslanden die weinig voedingsstoffen bevatten en waar de planten laag blijven. Klik op het kaartje om te bekijken waar deze soort pas nog is gezien.

Groot koolwitje (Pieris brassicae)

Vliegtijd: maart - oktober

Het gaat hier om een grote vlinder van ruim 6 cm breed met de vleugels helemaal opengevouwen. Het groot koolwitje heeft witte vleugels met op de bovenkant van de vleugel een of enkele zwarte stippen. De vleugeltoppen van de voorvleugel zijn zwart. Deze zwarte vlek loopt door tot de helft van de buitenste vleugelrand. De tekening van het groot koolwitje lijkt sterk op die van het klein koolwitje.

Het groot koolwitje legt haar eitjes in groepjes van ruim 40 eitjes op de onderkant van kool of look-zonder-look. De eitjes zijn gele, wat langwerpige kraaltjes. Na 6 dagen komen de rupsen al uit het ei en leven dan 19 dagen tot ze gaan verpoppen. De rupsen zijn geel met zwarte vlekken en korte haren. In het voorjaar duurt het 20 dagen voor de vlinder uit de pop komt, maar rupsen die pas in het najaar verpoppen blijven de hele winter in de pop.

Verspreiding

Het groot koolwitje komt in heel Nederland voor in graslanden en akkers, maar ook veel in tuinen. Klik op de kaart om te bekijken waar deze soort pas nog is ontdekt.

Klein geaderd witje (Pieris napi)

Vliegtijd: april - november

Deze vlinder heeft witte vleugels met op de bovenkant twee zwarte of grijze stippen en een zwarte vleugelpunt. De onderkant van de vleugels is soms gelig. De aders van de vleugels zijn grijs tot zwart getekend. Deze vlinder is gemiddeld van grootte, namelijk 4,8 cm breed met opengesperde vleugels.

Het klein geaderd witje legt haar eitjes aan de onderkant van bladeren van look-zonder-look, pinksterbloem of waterkers. De eitjes zijn gele puntige speldenknopjes. Na 5 dagen komen de rupsen al uit het ei en leven dan 17 dagen tot ze gaan verpoppen. De rupsen zijn groen met langs de zijkant gele stippen. Over het hele lichaam staan korte witte haren. In het voorjaar duurt het 11 dagen voor de vlinder uit de pop komt, maar rupsen die pas in het najaar verpoppen blijven de hele winter in de pop.

Verspreiding

Het klein geaderd witje komt in heel Nederland voor op heel verschillende plekken. Je kan de vlinders vinden in tuinen, struwelen, open bos en rond akkers. Klik op de kaart om te bekijken waar deze soort pas nog gevonden is.

Klein koolwitje (Pieris rapae)

Vliegtijd: maart - november

Deze vlinder is net als het groot koolwitje helemaal wit met een zwarte stip op de vleugel. Ook bij het klein koolwitje is de punt van de voorvleugel zwart getekend, maar dit loopt slechts een klein stukje langs de vleugelrand naar beneden door, minder dus dan bij het groot koolwitje. Deze vlinder is gemiddeld van grootte, ongeveer 5,5 cm breed met gespreide vleugels.

Het klein koolwitje legt haar eitjes aan de onderkant van bijvoorbeeld kool, koolzaad en pinksterbloem. Deze eitjes zijn geel, wat langwerpig en puntig. Na 5 dagen komen de rupsen al uit het ei en leven dan ongeveer 17 dagen tot ze gaan verpoppen. De rupsen zijn groen en kort behaard, met langs de zijkant gele stipjes. In het voorjaar duurt het 11 dagen voor de vlinder uit de pop komt, maar rupsen die pas in het najaar verpoppen blijven de hele winter in de pop.

Verspreiding

Het klein koolwitje komt in heel Nederland voor op veel verschillende plekken. Je kan ze vinden in tuinen, graslanden, bosranden en open bossen. Klik op het kaartje om te ontdekken waar deze soort pas nog is gezien.

Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album)

Vliegtijd: maart - oktober

Het meest opvallende van deze vlinder zijn de gegolfde vleugelranden. De vleugels zijn oranje met zwarte vlekken. Langs de vleugelranden zit een donkerbruine rand met lichte vlekjes. De onderkant van de vleugels is heel donker van kleur met op de achtervleugel een witte c-vormige vlek. Deze vlinder heeft met een breedte van 4,8 cm bij gespreide vleugels een gemiddelde grootte.

De gehakkelde aurelia legt haar eitjes op de onderkant van bladeren van de grote brandnetel. Het eitje is een groen speldenknopje met lichte lijnen. Na 6 dagen komen de rupsen al uit het ei en leven dan 22 dagen tot ze gaan verpoppen. De rups is heel bont gekleurd. Het lichaam is voornamelijk zwart met een oranje tekening langs de zijkant en een witte rug. Over het hele lichaam staan stekels. Deze vlinder komt na 14 dagen uit de pop tevoorschijn. De gehakkelde aurelia overwintert als vlinder in holle bomen, schuren of kelders.

Verspreiding

De gehakkelde aurelia komt in heel Nederland voor bij open plekken in het bos of langs de bosrand. Klik op de kaart om te bekijken waar deze soort pas nog is gevonden.

Icarusblauwtje (Polyommatus icarus)

Vliegtijd: april - oktober

Het mannetje en het vrouwtje kunnen sterk van elkaar verschillen in kleur. De onderkant van de vleugels is bruin tot licht blauw met een oranje baan langs de vleugelrand. De bovenkant van de vleugels is bij de mannetjes lichtblauw, maar bij de vrouwtjes kan deze bruin zijn, bruin met blauwe bestuiving of helemaal paarsblauw. Het vrouwtje kan ook op de bovenkant een oranje rand hebben. De vlinders zijn niet heel groot, namelijk 3,3 cm breed met de vleugels volledig gespreid.

Het icarusblauwtje legt haar eitjes op de onderkant van de bladeren van rolklaver. Het eitje ziet eruit als een wit speldenknopje. Na 6 dagen komen de rupsen al uit het ei. De rupsen zijn kort en dik. Ze zijn groen van kleur met een licht streep langs de zijkant en borstelige haartjes. Rupsen overwinteren verscholen in strooisellaag op de grond. In het voorjaar gaan de rupsen in de pop, waar ze in 12 dagen veranderen in een vlinder.

Verspreiding

Het icarusblauwtje komt in heel Nederland voor in verschillende soorten graslanden. Klik op het kaartje om te bekijken waar deze soort pas nog is gevonden.

Nachtvlinders

Spanners (Geometridae)

Bloeitijd: mei - september

De spanners zijn een groep van nachtvlinders waarvan in Nederland ongeveer 300 soorten voorkomen. Als je bedenkt dat er in totaal maar iets meer dan 50 soorten dagvlinders voorkomen in Nederland, dan kun je nagaan hoe groot deze familie is! Niet alle nachtvlinders vliegen ook ’s nachts, sommigen vliegen overdag of tijdens de ochtend-/avondschemering. Je kunt altijd zien dat het nachtvlinders zijn door even de uiteinden van de antennen te bekijken. Bij dagvlinders zit daar altijd een verdikt knopje, terwijl bij nachtvlinders de antennen uit waaiertjes bestaan die wat lijken op  kleine veertjes of gewoon uit eenvoudige sprietjes. Als spanners stil zitten, hebben ze hun vleugels altijd opengespreid.

Een opvallende eigenschap van de rupsen is de manier waarop ze zich voortbewegen. Ze houden zich met poten op het achtereinde van hun lichaam vast aan een takje of blaadje. Vervolgens strekken ze zich met de rest van hun lichaam helemaal uit en pakken zich met de voorpoten weer vast. Daarna trekken ze het achterlijf helemaal naar voren voor de volgende stap. Elke stap is dus precies even lang! Kijk maar eens naar het filmpje.  Aan deze manier van lopen hebben deze vlinders de naam ‘spanners’ te danken. Ook hun wetenschappelijke naam Geometridae betekent 'landmeters'. De ‘poten’ aan de achterkant van het lichaam zijn alleen bij de rupsen aanwezig. We noemen deze poten ook wel 'pseudopoten', dit zijn uitgroeiingen van de huid en verdwijnen na de verpopping. De zes poten aan de voorkant van het lichaam zijn wel echte poten, deze houden ze dan ook na de verpopping.

Een opvallende eigenschap van de volwassen vlinders van sommige soorten is dat de vrouwtjes helemaal geen vleugels hebben. Ze kruipen na de verpopping naar een plek toe waar mannetjes ze makkelijk kunnen vinden, bijvoorbeeld op een paar meter hoogte op een boomstam. Vervolgens zoeken de mannetjes ze op (hiervoor gebruiken ze hun antennen, waarmee ze de geurstoffen van de vrouwtjes kunnen ruiken) om te paren.

Verspreiding

De vlinder op de foto is een geoogde bandspanner (Xanthoerhoe montanata). Deze spanner is algemeen en komt door heel Nederland voor. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze spanner allemaal is waargenomen.

Uilen (Noctuidae)

Bloeitijd: mei - november

Als je het woord ‘uilen’ hoort denk je natuurlijk meteen aan indrukwekkende vogels die in het donker jagen, maar er is nog een groep nachtdieren die ‘uilen’ heten en dat zijn nachtvlinders. Ze zijn veel minder bekend dan hun gevederde naamgenoten, maar er zijn wel veel meer soorten van. In Nederland kennen we ruim 350 soorten! Net als de spanners kun je ze van dagvlinders onderscheiden doordat de antennen bestaan uit simpele sprietjes of ‘waaiertjes’ en nooit een verdikt ‘knopje’ aan het uiteinde hebben. Als uilen stil zitten, vouwen ze de vleugels over het achterlijf heen waarbij de vleugels elkaar vaak deels overlappen. Hierdoor heeft een stilzittend uiltje vaak de vorm van een langgerekt driehoekje. De verschillende soorten uit deze familie zijn vaak uitstekend gecamoufleerd. Door de onopvallende, vaak bruine kleur en het feit dat het er zo veel zijn is het herkennen van al deze soorten een vak apart!

Verspreiding

Op de foto zie je de goed gecamoufleerde nunvlinder. Op een boomstam of een tak zie je deze vlinder amper zitten. Dat komt natuurlijk erg goed van pas als je overdag uit moet rusten, maar je niet het volgende maaltje wilt zijn van roofdieren die juist dan actief zijn. De nunvlinder is overigens erg algemeen en komt door heel Nederland voor. Klik maar eens op het kaartje.

Zweefvliegen

Zweefvliegen (Syrphidae)

Vliegtijd: april - oktober

Zweefvliegen hebben hun naam te danken aan het feit dat ze stil kunnen hangen in de lucht en dit ook vaak doen. Net als veel andere vliegende dieren die stil kunnen hangen in de lucht (zoals de kolibrie en de kolibrievlinder) bewegen ze hun vleugels hierbij heel snel. De meeste zweefvliegen zijn klein en onopvallend gekleurd, maar de bekendste soorten zijn vaak juist wat opvallender gekleurd. Dit komt doordat een groot aantal soorten zweefvliegen doet aan ‘mimicry’, het na-apen van andere dieren. In het geval van zweefvliegen vermommen ze zich vaak als gevaarlijke dieren. Dat is slim, want zweefvliegen zelf zijn helemaal niet gevaarlijk. Zonder dit ‘trucje’ zouden roofdieren ze veel sneller aanzien voor een lekker hapje.

De ‘blinde bij’ bijvoorbeeld is helemaal geen bij, maar een zweefvlieg. Hij lijkt wel heel erg op een bij, zelfs de meeste mensen laten zich foppen! De blinde bij kan dus ook helemaal niet steken, maar mensen en roofdieren die gefopt worden door zijn vermomming laten hem natuurlijk lekker met rust! Zo hebben we in Nederland een heleboel soorten die lijken op hommels, bijen en wespen die helemaal niet kunnen steken of bijten. Op de foto zie je bijvoorbeeld een puntbijvlieg, een soort die, net als de blinde bij, veel op een bij lijkt.

Ook de larven van sommige soorten zweefvliegen vallen op. Niet vanwege hun felle kleuren maar vanwege hun eigenaardige lichaamsbouw. Van sommige soorten (waaronder de blinde bij) leven de larven in zuurstofarm of zuurstofloos water. Om toch aan zuurstof te komen hebben ze aan het achterlijf een lange, dunne, uitschuifbare (tot wel 15 cm!) buis die ze uit het water kunnen steken om adem te halen. Deze buis heeft wel iets weg van een staart. Om deze reden worden dit soort larven ook wel rattenstaartlarven genoemd.

Verspreiding

De soort op de foto is de puntbijvlieg. Deze is algemeen en komt door heel Nederland wel voor. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar hij allemaal is waargenomen.

Kevers

Elzenhaantje (Agelastica alni)

Vliegtijd: april - juni

Het elzenhaantje is geen vogel, maar een klein kevertje. Als volwassen kever zijn ze niet langer dan 6 à 7 mm. Het lijken wel kleine, groenblauw glanzende, metalen bolletjes. De larven zijn glanzend zwart en hebben knobbeltjes over het hele lichaam. Zoals de naam al doet vermoeden, komt dit kevertje vooral voor op elzen hoewel hij af en toe ook voorkomt op populieren, berken, haagbeuken, wilgen en hazelaars. Zowel de larven als de volwassen kevers eten van de bladeren van deze bomen. Soms komen ze in zulke grote aantallen voor dat bomen helemaal kaalgevreten worden! Het is een beetje een treurig gezicht, een bos met bijna helemaal kaal gegeten zwarte elzen, maar een gezonde boom kan tegen een stootje en de kevers komen gelukkig niet elk jaar zo massaal voor. 

De vrouwtjes kunnen tot wel 900 eitjes leggen. De eitjes worden aan de onderkant van de bladeren van een boom gelegd. Als de larven na 1 - 2 weken uit het ei komen kunnen ze meteen beginnen met eten. De larven groeien snel en passen dan niet meer in hun huidje, ze moeten dus vervellen. Na enkele vervellingen kruipen ze 3 weken later weg tussen de bladresten op de grond om te verpoppen. Na ongeveer 10 dagen komen de volwassen kevers uit de pop. Dan overwinteren ze een jaar tussen de bladresten, zodat ze zich in het volgende voorjaar zelf kunnen voortplanten en de cyclus opnieuw te beginnen.

Verspreiding

Het elzenhaantje komt door heel Nederland voor, maar ze hebben dus een sterke voorkeur voor plekken waar veel zwarte elzen te vinden zijn. Elzenbroekbossen en elzensingels langs slootranden zijn dus plekken waar je ze regelmatig kunt aantreffen. Klik maar op het kaartje om te zien waar deze soort allemaal is waargenomen.

Zevenstippelig lieveheersbeestje (Coccinella septempunctata)

Vliegtijd: mei - oktober

Het zevenstippelig lieveheersbeestje is een klein bolrond kevertje (5 tot 8 mm) met korte poten. Hij is goed herkenbaar aan het felrode schild, met daarop altijd zeven stippen (het aantal stippen zegt bij geen enkele soort iets over de leeftijd van het lieveheersbeestje). Een afbeelding van het zevenstippelig lieveheersbeestje wordt bijvoorbeeld ook gebruikt als symbool van protest tegen zinloos geweld.

Het zevenstippelig lieveheersbeestje is een echte rover. Ze eten bladluizen en kunnen er wel 100 op een dag opeten. Ook de larve van het lieveheersbeestje eet bladluizen. Vanaf het moment dat de larven uit het ei kruipen totdat ze zich verpoppen, eten ze er vele honderden. Daarom worden zevenstippelige lieveheersbeestjes ook wel als natuurlijke bestrijding ingezet tegen bladluizen.

Ze hebben vaak twee generaties in een jaar, één in mei en één aan het einde van de zomer. De eitjes worden gelegd in bladluiskolonies, zodat de larven dicht bij het voedsel zijn. Na gemiddeld vier weken zijn de larven volgroeid, in deze tijd zijn ze vier keer verveld en verpoppen ze zich. In de pop vindt de metamorfose (verandering) plaats en na een week kruipt er een vers lieveheersbeestje uit. Gemiddeld worden ze een jaar oud.

Verspreiding

Het zevenstippelig lieverheersbeestje is in vrijwel heel het land te vinden. Het is de meest bekende van de bijna 60 verschillende soorten lieveheersbeestjes die in Nederland voorkomen. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze soort voorkomt.

Snuitkevers (Curculionoidae)

Vliegtijd:

De snuitkevers vormen een grote familie van insecten binnen de familie van de kevers. Ook bij de snuitkevers licht de naam al een tipje van de sluier op over het uiterlijk van de soorten. Veel snuitkevers hebben namelijk een lange ‘snuit’ die wel iets weg heeft van een lange neus. Aan het einde van deze snuit zitten monddelen waarmee ze kunnen knagen (in tegenstelling tot bijvoorbeeld dazen en vlinders, die ook een soort lange ‘snuit’ hebben maar daar alleen mee kunnen prikken en/of zuigen). Bij sommige soorten is er amper sprake van een verlengde snuit. De letterzetter, een klein snuitkevertje dat bij grote uitbraken massale sterfte onder fijnsparren kan veroorzaken, is daar een voorbeeld van. Bij andere soorten is de snuit echter extreem lang. De eikelboorder en de hazelnootboorder zijn hier voorbeelden van. Deze snuitkevers gebruiken hun lange snuiten om gaatjes te boren in eikels en hazelnoten om daar een eitje in te leggen. De larve die uit het eitje komt eet de eikel of hazelnoot van binnen op en knaagt zich daarna een weg naar buiten. Als je dus een eikel of een hazelnoot vindt met een bijna perfect rond gaatje erin dan weet je wie de waarschijnlijke dader is. 

Veel soorten snuitkevers en hun larven eten graag allerlei soorten granen en zaden. Om deze reden wordt een aantal soorten als plaagdier beschouwd. De graanklander is bijvoorbeeld een snuitkever waarvan de volwassen dieren en de larven geweldige schade aan kunnen richten in graanvoorraden. De plaag bestrijden met gif heeft weinig zin want dan kan het graan daarna ook niet meer gebruikt worden om voedsel van te maken dus het weggooien van de hele graanvoorraad is dan vaak de enige oplossing. 

Verspreiding

De soort op de foto is de groene bladsnuitkever (Phyllobius pomaceus). Het lijf van deze soort is zwart met een mooie groenblauwe glans er over. De kever leeft van stengels en bladeren. Voornamelijk van grote brandnetel en moerasspirea. De larve leeft onder de grond van wortels. De soort is algemeen en in vrijwel heel Nederland te vinden. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar de soort allemaal is aangetroffen.

Veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje (Harmonia axyridis)

Periode actief: maart - november

Het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje komt oorspronkelijk uit China en Japan. Dertig jaar geleden is de soort naar Frankrijk gebracht om bladluis te bestrijden. Na enkele jaren bleek dat dit lieveheersbeestje de eitjes en larven van de Europese lieveheersbeestjes opeet, maar zelf niet gegeten wordt door bijvoorbeeld vogels. Dit betekent dat de Europese soorten kunnen verdwijnen, wat weer gevolgen heeft voor de soorten die van deze lieveheersbeestjes leven (voedselweb). Ook is gebleken dat de dieren die in wijngaarden leven, als de bladluizen op zijn ook de druiven gaan opeten. Hierdoor veranderd de smaak van de wijn en kan deze niet meer verkocht worden. 

Zoals de naam al doet vermoeden bestaan er van het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje heel veel kleurvarianten. Het gaat altijd om een mengeling van zwart, rood en oranje en het aantal stippen verschilt ook. Dit maakt het niet makkelijk om de soort te herkennen. Wat wel helpt is dat er in de achterkant van de dekschilden vaak een klein deukje zit.

Verspreiding

Deze Aziatische soort is dus heel snel vanuit Frankrijk verspreid over Europa en ook naar Nederland. Inmiddels kun je het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje in bijna het hele land vinden. Om de winter te overleven zoeken ze vaak elkaars gezelschap op en een droge, warme plek om te overwinteren. Je kunt ’s winters dus regelmatig exemplaren tegenkomen op zolders of in schuren, soms in grote groepen. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze soort allemaal is gezien.

Gewone meikever (Melolontha melolontha)

Vliegtijd: mei - juni

De meikever is één van de grotere keversoorten van Nederland. Een volwassen kever kan tot wel 3 centimeter lang worden. Ook de larven van de meikever zijn groot, wel 4,5 cm! We noemen de larven van deze soort ook wel engerlingen. De volwassen kever heeft oranjebruine dekschilden, een zwart borststuk en antennes die eindigen in een ‘waaier’ van oranjebruine plaatjes waarmee het dier kan ruiken. Als hij deze waaier uitvouwt, valt hij erg op, maar hij kan de waaier ook inklappen. De volwassen kevers eten boombladeren (het liefste eik). De larven, die onder de grond leven, eten wortels. Doordat de larven de wortels beschadigen, heeft dit grote gevolgen voor de groei van de planten. De meikever wordt zelf ook veel gegeten door andere dieren. De volwassen kevers (die vooral in de ochtend- en avondschemering vliegen) worden veel gegeten door vleermuizen en vogels, terwijl bijvoorbeeld mollen, wilde zwijnen en dassen gek zijn op de larven. 

Volwassen vrouwtjes leggen hun eitjes in de grond. Het duurt dan 1 - 2 maanden voordat de eitjes uitkomen. Als de larven uit de eitjes komen leven ze wel 3 - 4 jaar onder de grond, terwijl de volwassen kevers maar een paar weken leven. Het grootste deel van het leven van een meikevers speelt zich dus ondergronds af. Als de larve aan het einde van zijn laatste zomer onder de grond klaar is voor de verpopping graaft hij daarvoor een special kamertje. Al in de herfst komt de volwassen kever uit de pop maar hij blijft dan nog enkele maanden in dat kamertje om te wachten op het voorjaar. In mei graaft hij zich dan een weg naar de oppervlakte en begint de cyclus opnieuw. Zoals de naam al doet vermoeden zie je de meikever vooral in de maand mei, maar je kan ze ook in juni nog tegenkomen. In juni verschijnt ook de junikever, die je makkelijk met de meikever kunt verwarren.   

Verspreiding

Zoals je al zou verwachten komt de meikever vooral voor in gebieden waar voldoende bos staat. In de oostelijke helft van het land en in de duinen zijn dan ook duidelijke bolwerken. Kijk maar eens op het kaartje om te zien waar de soort allemaal waargenomen wordt.