Libellen

Natuurinfotafel Groningen Beijum Grasland

Libellen (Odonata) zijn een groep van slanke, vleesetende insecten die je kan verdelen in de ‘echte libellen’ (Anisoptera) en de ‘juffers’ (Zygoptera). We kennen op de hele aarde wel bijna 6000 verschillende soorten libellen. In Nederland zijn ruim 70 soorten gezien.

Het lijfje van libellen en juffers is langgerekt en bestaat uit een kop, een borststuk en een achterlijf. Ze hebben vier vleugels met in elke vleugel een vleugelvlekje, het pterostigma. De voorste twee vleugels van de echte libellen verschillen in grootte/vorm van de achterste twee vleugels. Vaak zijn de achterste vleugels wat breder. Daarom worden echte libellen ook wel ongelijkvleugeligen genoemd. De juffers noemen we gelijkvleugeligen. Juffers zijn meestal veel kleiner dan de echte libellen. Bovendien rusten de meeste echte libellen met hun vleugels gespreid, terwijl juffers hun vleugels meestal tegen elkaar klappen als ze ergens gaan rusten. Het achterlijf van libellen en juffers bestaat uit 10 kleinere stukjes, de segmenten. Deze segmenten kunnen een bepaalde kleur of tekening hebben en mede daaraan kan je zien welke soort het is.

Libellen en juffers leven niet altijd op het land en in de lucht. Sterker nog, de meeste soorten brengen als larve meer tijd door onder water dan erboven! Ze leggen hun eitjes in of vlak bij het water. De vrouwtjes paren dicht bij het water met de mannetjes en gaan dan eitjes afzetten in het water, op waterplanten of op een plek dichtbij water. In deze eitjes ontwikkelt de libel zich tot een prolarve. Buiten het eitje wordt de prolarve een echte larve die nog een paar keer vervelt. De larven leven onder water en zijn echte jagertjes. Ze vangen van alles en nog wat aan kleine waterdiertjes met hun speciale ‘uitklapkaken’. Zelfs kikkervisjes zijn niet veilig voor de grotere soorten! Als de larve groot genoeg geworden is, zal deze uit het water kruipen. Sommige soorten kruipen de oever op en andere soorten gebruiken de planten die uit het water steken om boven het water uit te komen. Daar zoekt de larve een plekje om voor de laatste keer te vervellen. Dan barst zijn huid boven op het borststuk open en komt langzaam het volwassen dier tevoorschijn: het uitsluipen. De libel kruipt uit de huid en gaat rustig zijn vleugels en lichaam volpompen tot hun volledige omvang. Nog even opdrogen/uitharden en dan is de libel klaar om te vliegen. Bij de ene soort duurt het uitsluipen maar 10 minuutjes, terwijl andere soorten er wel uren over kunnen doen.

Houtpantserjuffer (Chalcolestes viridis)

Vliegtijd: juni - november

De pantserjuffers zijn mooi glanzende juffers. De houtpantserjuffer is de grootste, wel 4 tot 5 cm lang. Het lichaam is metaalgroen van kleur en het vlekje in de vleugel is licht gekleurd en wat groter dan bij de meeste soorten. 

Levensloop

De houtpantserjuffer legt haar eitjes in takken van bomen die boven het water hangen. Het eitje overwintert één keer. Als het eitje uitkomt valt de larve in het water. Onder water leeft de larve nog een paar maanden verder, voordat hij gaat uitsluipen. De huidjes hangen dan tussen de waterplanten die uit het water steken en zijn 2 tot 3 cm groot. De meeste huidjes kan je vinden in juli en augustus. 

Verspreiding

Houtpantserjuffers vind je bijna overal in Nederland. Alleen rond de Waddenzee, het IJsselmeer en in Zeeland zie je ze niet zo veel. Deze soort komt voor bij watertjes met jonge boompjes en struiken langs de waterkant. Klik maar eens op de kaart, dan kan je zien waar deze soort pas nog is aangetroffen.

Lantaarntje (Ischnura elegans)

Vliegtijd: april - oktober

Het lantaarntje dankt zijn naam aan de lichtblauwe kleur van het uiteinde van het zwarte achterlijf van de mannetjes. De mannetjes hebben verder ook een blauw borststuk. Van de vrouwtjes bestaan er verschillende kleurvarianten, maar het achterlijf blijft zwart met een gekleurd uiteinde. De dieren zijn ongeveer 3 cm lang. 

Levensloop

De larven van deze soort leven één winter onder water. Van begin mei tot eind september kunnen de larven uitsluipen en kan je de huidjes vinden op de stengels van planten die uit het water steken. De huidjes zijn ongeveer 2 cm groot.




Verspreiding

Het lantaarntje komt in heel Nederland voor. Je kan deze soort bij eigenlijk alle verschillende soorten water vinden. Klik maar eens op het kaartje om te bekijken waar deze soort pas nog is gezien.

Variabele waterjuffer (Coenagrion pulchellum)

Vliegtijd: april - september

Het mannetje van deze juffer heeft een blauw borststuk. De blauwe strepen op de schouders vormen vaak een uitroepteken. Het achterlijf is blauw met zwart. Het eerste segment na het borststuk heeft een zwarte Y-vormige vlek. De vrouwtjes van deze soort hebben minder duidelijke kenmerken. Zij hebben een groen borststuk en een blauw of groen achterlijf. De dieren zijn 3,5 tot 4 cm lang. De variabele waterjuffer lijkt heel erg op de azuurwaterjuffer (Coenagrion puella), maar de mannetjes hebben een U-vormige vlek direct na het borststuk. 

Levensloop

De larven van de variabele waterjuffer leven een half jaar tot anderhalf jaar onder water. Van eind april tot begin september sluipen de larven uit hun huidje. De meeste huidjes kun je in mei en juni vinden op planten die boven het water uitsteken. De huidjes zijn net iets kleiner dan 2 cm.




Verspreiding

De variabele waterjuffer komt bijna in heel Nederland voor, maar niet zo veel in Zeeland en langs de noordkust. Deze waterjuffers kan je vinden in allerlei stilstaande wateren. Als je op het kaartje klikt, kun je zien waar de soort pas nog is gevonden.

Azuurwaterjuffer (Coenagrion puella) 

Vliegtijd: mei - september

Deze soort lijkt heel erg op de variabele waterjuffer (Coenagrion puella). De mannetjes van de azuurwaterjuffer hebben ook een blauw borststuk. Het achterlijf is blauw met zwart en op het eerste segment na het borststuk staat een U-vormige zwarte vlek, bij de variabele waterjuffer is deze vlek Y-vormig. De vrouwtjes hebben een groen borststuk en het achterlijf is zwart met blauw of groen. Deze juffers zijn net iets meer dan 3 cm lang.

Levensloop

De larven van de azuurjuffer leven een half jaar tot anderhalf jaar onder water, voordat ze uit het water komen om uit te sluipen. De meeste larven sluipen in mei en juni uit, maar je kan al huidjes vinden vanaf eind april tot begin september. De huidjes hangen aan waterplanten die uit het watersteken en zijn ongeveer 2 cm groot.




Verspreiding

De azuurwaterjuffer komt bijna in heel Nederland voor. In het binnenland van Zeeland, Noord-Holland en langs de noordkust kom je ze minder snel tegen.  Je kan deze soort vooral vinden bij stilstaand water, maar ook wel bij stromend water. Klik maar eens op het kaartje om te ontdekken waar deze soort pas nog is gevonden. 

Grote roodoogjuffer (Erythromma najas)

Vliegtijd: mei - september

Ook bij deze juffers geeft de naam al een hint over het uiterlijk. De mannetjes van de grote roodoogjuffer hebben grote rode ogen. Het borststuk is blauw met zwarte schouders en het achterlijf is zwart met aan het uiteinde een blauw puntje. Alle blauwe delen van het mannetje, zijn bij het vrouwtje groen gekleurd en ze heeft minder rode ogen. In Nederland kennen we twee soorten roodoogjuffers, de kleine en de grote. Zoals de naam al doet vermoeden is de lichaamsgrootte verschillend. De grote roodoogjuffer is 3 tot 3,5 cm groot.

Levensloop

De larven van de grote roodoogjuffer leven meestal één jaar onder water. Sommige larven groeien heel snel en kunnen daardoor nog uitsluipen in dezelfde zomer als dat ze uit het ei zijn gekropen. De huidjes van deze soort kun je vinden tussen mei en september, maar de meeste larven sluipen tussen mei en juni uit. De huidjes zijn iets kleiner dan 3 cm en hangen meestal in stengels van waterplanten. Soms kun je ook huidjes vinden boven op de bladeren van drijvende waterplanten, zoals gele plomp en witte waterlelie.

Verspreiding

De grote roodoogjuffer komt in Nederland vrij veel voor bij water waar drijvende waterplanten aanwezig zijn, zoals gele plomp en witte waterlelie. Alleen in Zeeland, langs de Waddenzee en het IJsselmeer zijn ze zeldzaam. Klik maar eens op het kaartje om te ontdekken waar deze soort pas nog is gevonden.

Kleine roodoogjuffer (Erythromma viridulum)

Vliegtijd: juni - september

De kleine roodoogjuffer lijkt heel erg op de grote roodoogjuffer (Erythromma najas) en om het nog wat moeilijker te maken, komen ze ook nog eens vaak op dezelfde plekken voor.  De grote roodoogjuffer is vaak wat eerder te zien (juni) dan de kleine roodoogjuffer (juli). De kleine roodoogjuffer is natuurlijk wat kleiner dan zijn grote neef, 2,5 tot 3 cm, maar als ze niet naast elkaar vliegen, is dat verschil moeilijk te zien. Bij de mannetjes valt wel op dat het blauw aan de punt van het achterlijf wat verder doorloopt dan bij de grote roodoogjuffer. 

Levensloop

De larven van de kleine roodoogjuffer leven meestal één maar soms twee jaar onder water. De huidjes van deze soort kun je vinden van half juni tot begin september, maar de meeste larven sluipen tussen half juli en half augustus uit. De huidjes zijn 2 cm of iets kleiner. Je vindt ze altijd dicht in de buurt van het wateroppervlak, meestal op drijvende waterplanten, maar soms op stengels van planten die boven het water uitsteken. 

Verspreiding

De kleine roodoogjuffer houdt van stilstaande tot langzaam stromende wateren waarin veel (drijvende) waterplanten aanwezig zijn. De soort is zeer algemeen en komt door heel Nederland voor. Klik maar eens op het kaartje om te ontdekken waar deze soort pas nog is gevonden.

Vuurjuffer (Pyrrhosoma nymphula) 

Vliegtijd: maart - september

De naam van deze juffer verwijst naar de kleur van het lichaam, die is namelijk helemaal rood. De vuurjuffer heeft verder zwarte pootjes en een zwart vlekje in de vleugels. In Nederland heb je nog een andere rode juffer, de koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), maar deze heeft ook rode pootjes en een rood vlekje in de vleugels. De vuurjuffer is ongeveer 3,5 cm lang.

Levensloop

De larven leven meestal één jaar onder water voordat ze groot genoeg zijn om een volwassen libel te worden. In april en mei kun je de meeste huidjes vinden, maar zelfs tot in augustus kan je ze nog tegenkomen. De huidjes hangen aan waterplanten die uit het water steken en zijn ongeveer 2 cm groot.

Verspreiding

De vuurjuffer komt in bijna heel Nederland voor, behalve langs de Waddenzee en het IJsselmeer. De vuurjuffer is in de lente één van de eerste soorten die je kan vinden. Ze leven vooral bij wat kleinere watertjes, zoals sloten, vennen en kleine vijvers met veel water- en oeverplanten. Klik maar eens op het kaartje om te bekijken waar de vuurjuffer pas nog is gevonden.

Blauwe Breedscheenjuffer (Platycnemis pennipes)

Vliegtijd: april - oktober

Zoals de naam al doet vermoeden heeft de soort brede schenen aan de achterpootjes. Deze zijn wat breder dan die van andere soorten juffers, waardoor ze erg opvallen. Samen met de lichtblauwe kleur van het mannetje en de bleke geelgroene tot grijze tint van het vrouwtje is de soort hierdoor goed te herkennen. De volwassen dieren zijn ongeveer 3,5 cm lang. 


Levensloop

De larven leven soms één, maar meestal twee winters in het water. Van mei tot begin augustus kunnen de larven uitsluipen en kan je de huidjes vinden op stengels van water- en oeverplanten. De huidjes zijn ongeveer 2 à 2,5 cm lang. 


Verspreiding

De blauwe breedscheenjuffer komt vooral in de oostelijke provincies van Nederland voor. Hij is vrij algemeen op de zandgronden, maar in een brede strook langs de kust is hij nagenoeg geheel afwezig. Je kan deze soort vooral vinden langs langzaam stromende beken, rivieren en kanalen, maar soms ook in grote, zuurstofrijke plassen en (vis)vijvers. Klik maar eens op het kaartje om te bekijken waar deze soort pas nog is gezien.

Paardenbijter (Aeshna mixta)

Vliegtijd: juli- september

De paardenbijter is de kleinste soort van de familie van de glazenmakers. Je kan de paardenbijter herkennen aan een gele vlek op het eerste deel van het achterlijf. Deze lijkt op een spijker. Het mannetje heeft verder een donkergekleurd achterlijf met blauwe vlekken en blauwe ogen. Het vrouwtje heeft ook een donker achterlijf, maar met gele vlekken. De paardenbijter is ongeveer 6 cm groot. 

Levensloop

Larven van deze soort leven meestal maar één jaar onder water. Als ze gaan uitsluipen, kruipen ze via de stengels van waterplanten boven het water uit. Daarna kan je zoeken naar de huidjes die 3 tot 4 cm groot zijn. Je kan van juli tot september huidjes vinden, maar de meeste kun je vinden tussen juli en augustus.



Verspreiding

De paardenbijter kan je in heel Nederland tegenkomen. Deze soort vind je vooral bij water waar ook riet groeit. Het water kan stromen of stilstaan. Klik maar eens op het kaartje om te bekijken waar deze soort pas nog is gevonden.

Bruine glazenmaker (Aeshna grandis) 

Vliegtijd: mei - september

Bij deze soort zijn zowel het mannetje als het vrouwtje bruin gekleurd. Ook de vleugels hebben een bruinige kleur. De mannetjes hebben nog wat blauwe vlekken langs de zijkant van het achterlijf en in de ogen. De bruine glazenmaker is één van de grootste libellen van Nederland. Ze worden 7 tot 8 cm groot.

Levensloop

De larven van deze glazenmaker leven één of twee jaar onder water. De eerste winter brengen ze door als eitje. Tussen juni en oktober sluipen de larven uit en kun je huidjes gaan zoeken. De meeste huidjes vind je tussen juni en augustus en zijn iets meer dan 4 cm groot.



Verspreiding

De bruine glazenmaker komt in een groot deel van Nederland voor, met name in Oost-Nederland en Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Brabant. Deze soort komt voor bij grotere, stilstaande wateren waar veel oever- en waterplanten groeien. Klik maar eens op het kaartje om te bekijken waar de soort pas nog is gevonden.

Blauwe glazenmaker (Aeshna cyanea) 

Vliegtijd: mei - oktober

De basiskleur van deze libellen is zwart. Tussen het zwart hebben de mannetjes heldere groene en blauwe vlekken, terwijl de vrouwtjes alleen groene vlekken hebben. Er zijn in Nederland een aantal soorten grotere libellen waarmee je de blauwe glazenmaker kunt verwarren, maar met behulp van het patroon en de kleuren van de vlekken op het achterlijf en het borststuk zijn ze met een beetje oefening allemaal redelijk goed uit elkaar te houden. De blauwe glazenmaker wordt 6,5 tot 7 cm lang. 

Levensloop

Het eitje van de blauwe glazenmaker overwintert één keer onderwater voordat het uitkomt. De larve brengt vervolgens meestal nog één winter in het water door voordat hij uitsluipt. Dat doen ze meestal op ongeveer 30 centimeter hoogte in water- en oeverplanten. De huidjes zijn 3,5 tot 4 cm. 

Verspreiding

De blauwe glazenmaker komt door heel Nederland eigenlijk wel voor. Je kan ze zelfs wel in de tuin tegenkomen. In gebieden waar geen bos is, zie je ze minder. In Zeeland en rond het IJsselmeer, komen ze minder voor. De soort heeft een voorkeur voor stilstaand water, maar af en toe wordt hij ook bij langzaam stromende beken en rivieren gevonden. Ook als het water volledig in de schaduw ligt komt de blauwe glazenmaker er wel voor, terwijl andere soorten liever water hebben dat (deels) in het zonnetje ligt. 

Grote keizerlibel (Anax imperator)

Vliegtijd: mei - oktober

De grote keizerlibel is de grootste libel van Nederland en kan ruim 8 cm groot worden. Het mannetje heeft een groen borststuk en een blauw achterlijf met in het midden een zwarte streep. Het vrouwtje is helemaal groen en bij haar loopt een bruine streep over het midden van het achterlijf. 


Levensloop

De larven van de grote keizerlibel leven één of twee jaar onderwater. Tussen mei en september kruipen de meeste larven via een plantenstengel uit het water om uit te sluipen. De meeste huidjes kun je vinden tussen mei en augustus. De huidjes zijn heel goed te zien, want ze zijn wel 4,5 tot 6 cm groot.



Verspreiding

De grote keizerlibel komt bijna in heel Nederland algemeen voor. In het grootste deel van Friesland en in het noorden van Groningen is de soort wat zeldzamer. Ook in Zeeland komt deze soort minder vaak voor. De grote keizerlibel komt vooral voor bij grotere, stilstaande wateren met veel oever- en waterplanten. Als in deze wateren ook geen vis leeft (vissen eten de larven) kun je grote aantallen van de grote keizerlibel vinden. Klik maar eens op het kaartje om te ontdekken waar deze soort pas nog is gezien.

Viervlek (Libellula quadrimaculata) 

Vliegtijd: april - september

Ook bij de viervlek geeft de naam al aan waar je hem aan kan herkennen. Deze libel heeft namelijk vier zwarte vlekken midden op de vleugels, kijk maar eens goed naar de foto. Ook aan de basis van de vleugels (waar ze aan het lichaam zitten) vind je zwarte vlekken. Het mannetje en het vrouwtje zijn geelbruin van kleur en de punt van het achterlijf is zwart. De viervlek is 4 tot 5 cm groot. 

Levensloop

Larven van de viervlek leven meestal twee jaar onder water. Van april tot augustus sluipen de larven uit en kun je hun huidjes vinden. De meeste huidjes vind je in mei en juni. Ze hangen dan meestal aan de stengels van oeverplanten. Deze huidjes zijn 2 tot 3 cm groot.

Verspreiding

De viervlek kun je bijna in heel Nederland vinden, maar in Noord-Holland, Friesland en Groningen zijn ze wat zeldzamer dan in de rest van het land. Je vindt deze soort bij stilstaande wateren die goed begroeid zijn met water- en oeverplanten. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze soort pas nog is gevonden.

Platbuik (Libellula depressa) 

Vliegtijd: april - september

De platbuik is 4 tot 5 cm lang. Het achterlijf is plat en breed (eirond). Het mannetje heeft een opvallend blauw achterlijf, terwijl het vrouwtje en jonge dieren een geelbruin achterlijf hebben. Waar de vleugels aan het lichaam vastzitten, zie je zwarte vlekken op de vleugels.

Levensloop

De larven van de platbuik leven één tot twee jaar onder water. De meeste larven sluipen in mei en juni uit. In deze periode vind je ook de meeste huidjes. Deze huidjes kun je vinden op oeverplanten, maar meestal liggen ze op de grond. De larven kunnen best ver kruipen, dus de huidjes kun je vinden tot wel 10 meter bij het water vandaan. De huidjes zijn iets groter dan 2 cm.

Verspreiding

De platbuik komt bijna in heel Nederland voor, behalve in een deel van Noord-Holland en Friesland. Deze soort vind je vooral bij klein, ondiep, stilstaand water waar nog geen planten groeien en waar de zon op schijnt. Klik maar eens op het kaartje om uit te vinden waar de platbuik pas nog is gezien.

Gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum)

Vliegtijd: mei - augustus

Het mannetje van de gewone oeverlibel heeft een blauw achterlijf met een geel randje en een zwart puntje. Het vrouwtje heeft een geel achterlijf met een zwarte tekening. Het achterlijf wordt naar het einde toe iets smaller. De mannetjes vliegen snel heen en weer vlak boven het water, hierdoor lijken ze wel op een blauwe pijl. Als ze even uitrusten, kiezen ze vaak een kaal plekje op de oever. 

Levensloop

De larven leven wel twee tot drie jaar onder water voordat ze gaan uitsluipen. De huidjes kan je vinden aan de stengels van de oeverplanten. Het uitsluipen gebeurt tussen mei en augustus, maar de meeste huidjes kan je vinden in juni. De huidjes zijn 2 tot 3 cm groot.

Verspreiding

De gewone oeverlibel komt in heel Nederland voor, behalve langs de noordkust van Groningen en Friesland. Je kan deze soort vinden bij wat grotere, stilstaande wateren met kale plekken langs de oevers. Klik maar eens op het kaartje, dan kan je zien waar deze soort pas nog is ontdekt.

Bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) 

Vliegtijd: mei - oktober

De bloedrode heidelibel wordt 3,5 à 4 cm lang. De heidelibellen zijn vaak lastig van elkaar te onderscheiden. De bloedrode heidelibel heeft geheel zwarte pootjes. Van de soorten die op de bloedrode heidelibel lijken heeft alleen de Kempense heidelibel (Sympetrum depressiusculum) ook zwarte poten, maar die is zeer zeldzaam in Nederland. Verder hebben mannetjes een helderrood gekleurd achterlijf, terwijl vrouwtjes vooral geel gekleurd zijn.

Levensloop

De bloedrode heidelibel overwinterd als eitje. In het voorjaar komen de eitjes uit en nog in de zomer van hetzelfde jaar kruipen de larven uit het water via de oeverplanten. Het uitsluipen gebeurt in juli en augustus. In die maanden kun je dan ook de meeste huidjes vinden. Deze zijn iets kleiner dan 2 cm. 

Verspreiding

Ondanks de naam heidelibel kun je veel soorten heidelibellen ook buiten heideterreinen vinden. Voor de bloedrode heidelibel geldt dat zeker. Het is de meest algemene heidelibel van Nederland. Deze soort komt voor in heel Nederland, behalve langs de noordkust en het IJsselmeer. Hij is niet heel kieskeurig wat betreft de leefomgeving en je kunt hem vinden langs allerlei stilstaande wateren. Wel houden ze van water en oevers met veel vegetatie. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze soort pas nog is aangetroffen.

Bruinrode heidelibel (Sympetrum striolatum) 

Vliegtijd: mei - november

De bruinrode heidelibel is een redelijk grote heidelibel, ongeveer 4 cm groot. De heidelibellen zijn vaak lastig van elkaar te onderscheiden. Deze soort lijkt heel erg op de steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum). Eigenlijk moet je ze eerst vangen, om ze goed te kunnen bekijken. Het achterlijf van de mannetjes is wat oranjerood gekleurd. Op het borststuk heeft hij grote gele vlekken. De pootjes van deze heidelibel zijn zwart met een gele streep. Het lichaam van het vrouwtje is helemaal geel. Het verschil tussen deze twee soorten zie je in het gezicht. De steenrode heidelibel heeft een zwart streepje die lijkt op een hangsnor, terwijl bij de bruinrode heidelibel dit streepje recht is. 

Levensloop

De bruinrode heidelibel overwintert in het ei en gaat daarna heel hard groeien, zodat ze in de volgende zomer kunnen gaan uitsluipen. De huidjes zijn iets kleiner dan 2 cm en hangen aan de stengels van waterplanten die boven het water uitsteken. De meeste huidjes kun je vinden in juli en augustus.



Verspreiding

De bruinrode heidelibel komt in heel Nederland voor, maar in het noorden van Noord-Holland, Friesland en Groningen zijn ze minder algemeen. Je kunt deze libel vinden bij veel ondiepe, kleine plasjes waar niet zo veel planten groeien. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze soort pas nog is aangetroffen.

Steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum) 

Vliegtijd: juni - november

De steenrode heidelibel is 3,5 à 4 cm lang. Hij lijkt sterk op de bruinrode heidelibel (Sympetrum striolatum). Om ze goed uit elkaar te houden, moet je ze heel goed van dichtbij kunnen bekijken. Het verschil zit in een zwart streepje in het gezicht. Bij de steenrode heidelibel lijkt dit streepje op een hangsnor, terwijl bij de bruinrode heidelibel het streepje recht is. Verder heeft bij de bruinrode heidelibel het mannetje een roodgekleurd achterlijf en het vrouwtje een geelgekleurd achterlijf. De pootjes zijn zwart met een gele streep.

Levensloop

De steenrode heidelibel overwintert in het ei en groeit daarna heel hard, zodat ze in de volgende zomer kunnen gaan uitsluipen, dat doen ze ongeveer van begin juni tot eind september. De huidjes die achterblijven zijn iets kleiner dan 2 cm en hangen aan de stengels van oeverplanten. De meeste huidjes kun je vinden van eind juli tot begin september.

Verspreiding

Ook de steenrode heidelibel is algemeen en komt voor in heel Nederland. Langs de noordkust en rond het IJsselmeerkomt deze soort minder voor en in Zeeland bijna niet. Je kunt deze soort vinden langs allerlei stilstaande wateren met waterplanten en goed begroeide oevers. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar deze soort pas nog is aangetroffen.

Vuurlibel (Crocothemis erythraea)

Vliegtijd: mei - oktober

Net als bij de vuurjuffer (Pyrrhosoma nymphula) is het mannetje van de vuurlibel knalrood, zelfs de rand van de vleugel is rood. Waar de vleugels aan het achterlijf zitten, vind je een gele vlek op de vleugel. De vrouwtjes van deze soort zijn niet zo opvallend. Zij zijn bruingeel van kleur. Het achterlijf van de vuurlibel is net als bij de platbuik plat, maar lang niet zo breed. Deze libellen worden tussen de 3,5 en 4,5 cm groot. 

Levensloop

De larven van de vuurlibel leven één jaar onderwater. Ze kruipen via de stengels van waterplanten boven het water uit. Daar kan je ook de huidjes vinden, deze zijn ongeveer 2 cm groot. De vuurlibel sluipt van mei tot augustus uit, maar de meeste huidjes vind je in juni.

Verspreiding

De vuurlibel komt pas sinds 2005 verspreid over Nederland voor. Deze soort komt oorspronkelijk uit Noord-Afrika en Zuid-Europa, maar breidt zich de laatste decennia langzaam uit naar het noorden. De vuurlibel vliegt vooral bij ondiepe, heldere watertjes met waterplanten. Het water moet ook een beetje beschut liggen, zodat het er lekker warm is. Klik maar eens op het kaartje om uit te vinden waar deze libel pas nog is gezien.