Vissen

Vissen spelen een belangrijke rol in het leven onder water. In de meeste sloten, vijvers en andere wateren kun je ze wel vinden. Dankzij hun kieuwen kunnen ze onderwater ademhalen en hoeven ze niet naar boven te komen voor zuurstof. Er zijn zoetwatervissen (zoals de snoek) die je alleen in wateren in het binnenland kunt vinden en zoutwatervissen (zoals de haring) die je alleen in de zee kunt vinden. Maar er zijn ook vissen die een beetje van allebei hebben. Ze brengen een deel van hun leven in zoet water door en een ander deel van hun leven in zout water. Een voorbeeld van zo’n vis is de aal oftewel paling. 

Net als andere dieren zijn vissen er in allerlei soorten en maten. Je hebt hele kleine visjes zoals het tiendoornige stekelbaarsje en vissen die heel groot kunnen worden zoals de snoek. Sommige vissen, zoals bijvoorbeeld de graskarper, leven van plantaardig voedsel. De meeste vissen leven echter (deels) van dierlijk voedsel. Soorten zoals de kleine modderkruiper en de blankvoorn eten naast plantaardig voedsel ook kleine diertjes zoals onder andere slakjes, larven en kleine kreeftjes (zoals watervlooien). Dan zijn er ook nog echte jagers, zoals de eerdergenoemde snoek. Deze vissen hebben vaak gespierde, gestroomlijnde en gecamoufleerde lichamen, waarmee ze in staat zijn om prooien te verrassen of te achtervolgen.

Aan de positie van de bek van een vis kun je zien waar hij meestal zijn eten zoekt. Wijst de bek naar boven (een bovenstandige bek) dan zoekt de vis vaak boven zich naar voedsel. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de snoek. Wijst de bek naar voren (een eindstandige bek) dan zoekt de vis zijn voedsel vaak recht voor zich. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de blankvoorn. Wijst de bek naar beneden (een onderstandige bek) dan zoekt de vis zijn voedsel vaak onder zich (meestal is dat de bodem). Dit is bijvoorbeeld het geval bij de kleine modderkruiper.

Brasem (Abramis brama)

De brasem behoort tot de karperachtigen en kan wel 80 cm lang worden en 20 jaar oud. In Nederland worden ze vaak niet groter dan 60 cm. Deze vis houdt van stilstaande tot langzaam stromende wateren die erg voedselrijk zijn. De brasem verzamelt zijn voedsel door in de modder te graven. Tijdens het graven worden bodemdiertjes opgegeten en modder en delen van planten uitgespuugd. Door het wroeten in de bodem, wordt het water heel troebel. Hierdoor wordt het voor waterplanten en andere dieren steeds moeilijker om in dit water te leven.

 Het leggen en bevruchten van de eitjes vindt voor het eerst plaatst wanneer de vissen 3 tot 4 jaar oud zijn. Dit wordt ook wel paaien genoemd. Dit paaien gebeurt in de periode mei tot juni wanneer het warmer is dan 15 °C. Hoe ouder het vrouwtje is, hoe groter de eitjes zullen zijn. De eitjes worden vastgeplakt aan waterplanten, takken en boomwortels in ondiep water wat snel opwarmt.

Verspreiding

In Nederland is dit één van de meest algemene vissoorten. De brasem is ook niet zo kieskeurig voor de plek waar hij leeft. In wateren met een dikke modderlaag op de bodem en troebel water komt deze soort veel voor. Op het kaartje zie je dat de soort vooral in Noord- en Zuid-Holland en langs de rivieren voorkomt.  

Aal (Anguilla anguilla)

De aal, of ook wel de paling genoemd, kun je heel makkelijk herkennen. Deze vis heeft een langgerekt lichaam en lijkt daardoor wel wat op een slang. De schubben zijn zo klein dat je ze nauwelijks ziet. De vissen hebben een zwarte tot groenbruine rug en een witte buik. Vrouwtjes kunnen wel 1 meter lang worden, twee keer zo lang als mannetjes. Bijzonder is dat deze soort zich ook over het land kan verplaatsen, omdat deze vis kan ademhalen door zijn huid. In de nacht jaagt de aal op insecten, kreeftjes en visjes. Jonge aaltjes eten vooral plankton, dit zijn hele kleine plantjes.

De aal leeft in zoutwater en in zoetwater. De vrouwtjes leggen hun eitjes in de zee. Daarvoor zwemmen ze helemaal naar de Sargassozee. Dit is een deel van de Atlantische Oceaan en ligt tussen Noord en Zuid-Amerika. Als de eitjes uitkomen, zwemmen de larven terug naar Europa. Daar zoeken ze plekken waar het zoete water van rivieren in de zee uitkomt. De jonge aaltjes gaan namelijk opgroeien in het zoete water van de rivieren. Deze jonge aaltjes zijn doorzichtig en worden daarom ook wel glasaal genoemd. Pas na 5 tot 12 jaar zijn deze vissen volwassen en zwemmen ze weer helemaal terug naar de Sargassozee om zelf eitjes te leggen. Na het leggen van de eitjes gaan de volwassen alen dood.

Verspreiding

De aal komt in heel Nederland voor, maar het aantal palingen is de afgelopen 30 jaar met 90% afgenomen. Hierdoor staat de aal bekend als een bedreigde diersoort. De oorzaken van deze afname zijn onder andere de visserij op de glasaaltjes, maar het is ook steeds moeilijker om vanuit zee de rivieren te bereiken door bijvoorbeeld stuwen. Ook in de rivieren zijn obstakels gemaakt om bijvoorbeeld elektriciteit op te wekken en de waterstand te regelen, maar daardoor kunnen de alen soms niet verder zwemmen. Inmiddels wordt er hard gewerkt om deze problemen op te lossen.

Kleine modderkruiper (Cobitis taenia)

De kleine modderkruiper is één van de drie soorten modderkruipers die in ons land voorkomen. De kleine modderkruiper is een visje met een langgerekt cilindervormig lichaam. Rondom zijn bek heeft de modderkruiper zes korte tastdraden. Deze worden gebruikt om voedsel te vinden op de bodem. De kleine modderkruiper heeft een donker en regelmatig vlekkenpatroon op zijn lichaam, net als een tijger. Onder zijn oog heeft het visje een uitklapbare stekel, deze wordt gebruikt ter verdediging. Modderkruipers kunnen niet goed blijven drijven en leven daardoor hun hele leven bijna op de bodem, in de modder. Het visje heeft een lengte van 8 tot 10 cm.

De paaiperiode loopt van april tot juli. Voordat het vrouwtje haar eitjes afzet, draait het mannetje zijn lichaam strak om het vrouwtje heen. Het vrouwtje zwemt vervolgens door, waardoor het mannetje van haar afglijdt en er als het ware voor zorgt dat de eitjes uit het lichaam worden gedrukt. Het vrouwtje zet vervolgens haar kleverige eitjes af op waterplanten en zand. Het aantal ligt ongeveer rond de 300 eitjes.

In Nederland is de kleine modderkuiper een algemeen voorkomende soort. Het diertje leeft in ondiepe wateren waarvan de bodem bedekt is met zand of slib en waar veel planten in groeien. Het dieet van het dier bestaat uit zoöplankton, kleine waterbeestjes, algen en dood organisch materiaal.

Graskarper (Ctenopharyngodon idella)

Het lichaam van de graskarper heeft de vorm van een torpedo. De rug heeft een bruingroenige kleur en de zijkant van het lichaam is lichtgroen of zilverachtig. De schubben hebben aan de achterkant een zwart randje. Deze vis kan wel 120 cm lang worden. Wanneer de dieren jong zijn eten ze algen, daarna gaan ze over op waterplanten. Het zijn dus echte planteneters.

Verspreiding

De graskarper komt van nature niet in Nederland voor. Deze soort komt oorspronkelijk uit China en is in 1973 naar Nederland gehaald. Het was de bedoeling dat deze vis in wateren met heel veel waterplanten een groot deel van de waterplanten zou gaan opeten. De vissen werden in afgesloten wateren uitgezet. Maar het bleek dat de graskarper een goede zwemmer en een krachtiger springer is, dus nu komt de soort bijna overal voor.

Snoek (Esox lucius)

De snoek is één van de grootste roofvissen van Nederland. Ze kunnen een lengte bereiken van wel 140 cm. Hun lange lichaam is groen tot grijsbruin van kleur met gelige vlekken. Doordat het echte rovers zijn hebben ze een grote brede bek met scherpe tandjes op hun kaken en gehemelte. Jonge snoeken eten plankton en kleine waterbeestjes. Wanneer ze wat groter zijn eten ze voornamelijk vis. Ook kan er af en toe een amfibie, een vogeltje of een klein zoogdier in hun bek verdwijnen. De snoek leeft het liefste in helder water, omdat de prooien dan goed zichtbaar zijn. 

In de periode februari tot eind mei gaan de snoeken zich voortplanten. De vrouwtjes plakken hun eitjes vast aan onderwater planten, zodat ze niet wegstromen. Nadat de eitjes zijn uitgekomen, verblijven de jonge snoekjes nog een paar weken in hetzelfde gebied. In deze periode eten de jonge snoekjes voornamelijk broed van andere vissoorten en insecten, maar wanneer er weinig voedsel is kunnen ze elkaar ook gaan opeten.

Verspreiding

Deze zoetwatervis zwemt dus graag in helder, stilstaand tot langzaam stromend water en je kunt hem overal in Nederland wel vinden. Ook houdt het dier van veel planten aan de oevers en van onderwaterplanten. Deze planten worden gebruikt voor de eitjes en de jonge snoekjes kunnen zich er goed in verstoppen.

Driedoornige stekelbaars (Gasterosteus aculeatus)

De driedoornige stekelbaars heeft, zoals de naam al zegt, drie harde stekels op zijn rug (soms zijn het er twee of vier). Het visje is zilverkleurig met zwarte strepen of vlekken. Deze kleur verandert tijdens het voortplantingsseizoen. De mannetjes krijgen dan een vuurrode buik en een blauwe rug en ogen. Deze vis heeft geen schubben, maar beenplaatjes. Dat zijn platte botjes, die onder de huid liggen. Dit stekelbaarsje kan in zoet en zout water leven. Wanneer het water zout is, hebben de vissen meer beenplaatjes, dan in zoet water. Kleine waterdiertjes staan op het menu van de driedoornige stekelbaars. In zout water kunnen deze visjes 12 cm lang worden, in zoet water blijven ze iets kleiner ongeveer 8 cm.

 In april tot juni bouwt het mannetje een nestje. Het nestje maakt hij van waterplanten die hij aan elkaar lijmt door middel van een stofje uit zijn nieren. Vervolgens lokt hij verschillende vrouwtjes naar het nest, die hun eitjes leggen. Het mannetje bewaakt het nestje en zorgt dat er genoeg zuurstofrijk water richting de eitjes stroomt.

Verspreiding

In Nederland komt dit visje bijna overal wel voor. Ook komt de driedoornige stekelbaars in een groot deel van Europa voor. In Noord- en Zuid-Europa komt de soort eigenlijk alleen langs de kust voor en in Midden-Europa vooral in zoet water, zoals meren, rivieren, kanalen en sloten. Dit is ook wel logisch, want in Midden-Europa is niet zoveel zout water te vinden.

Zonnebaars (Lepomis gibbosus)

Dit visje kun je herkennen aan zijn oranje, rode en blauwe vlekken. De vin op de rug bestaat uit twee delen die aan elkaar zijn gegroeid. Het voorste deel is laag en heeft harde stekels het achterste deel is hoog en heeft zachte stekels. De vis kan 20 cm lang worden, maar in Nederland blijft hij vaak wat kleiner. Tijdens de voorplantingsperiode krijgt het mannetje een fel oranje borst. Wanneer de watertemperatuur 16 °C bereikt, begint de paaiperiode. In deze periode worden de eitjes gelegd en bevrucht. Het mannetje zoekt een ondiepe en zonnige oever uit, waar hij een kuiltje in het zand of grind maakt. Vervolgens probeert hij een vrouwtje te lokken. Alleen de grote en sterke mannetjes maken een nest, zij kunnen een vrouwtje krijgen en daarna de eitjes bewaken. Mannetjes die minder groot en sterk zijn, proberen soms het nest van een ander in te sluipen om de vrouwelijke eitjes te bevruchten. De zonnebaars eet van alles en nog wat, zoals dierlijk planton, wormen, slakjes, larven van libellen, kleine visjes en amfibieën.

De zonnebaars houdt van rustig en helder water met zandige bodems waar waterplanten groeien. Deze soort komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en is in de Nederlandse natuur gekomen doordat mensen vissen uit aquaria en tuinvijvers hebben losgelaten. Andere Nederlandse soorten, die hetzelfde leefgebied hebben als de Zonnebaars, kunnen het hierdoor moeilijk krijgen. Het is daarom belangrijk om niet zomaar één van je huisdieren los te laten in de vrije natuur.

Baars (Perca fluviatilis)

Deze roofvis is een algemene soort in Nederland. Het diertje heeft vijf tot acht donkere verticale strepen op zijn licht gekleurde lichaam. Bovenop zijn rug heeft hij twee rugvinnen. De voorste vin bestaat uit harde stekels en heeft een kenmerkende zwarte vlek. De vinnen onder de buik zijn rood en soms is zijn staart ook rood gekleurd. Baarzen kunnen wel 50 cm groot worden, maar in Nederland zijn ze meestal 20 tot 35 cm. De vis kan wel 21 jaar oud worden, maar de meeste baarzen worden maar ongeveer 6 jaar.

Verspreiding

Ook deze vis kun je bijna in alle wateren in Nederland vinden. Denk aan stilstaande, langzaam stromende wateren, zoals meren, plassen, kanalen en rivieren. Het water moet wel helder zijn, want de baars is namelijk een zichtjager. Hij moet dus goed kunnen zien waar zijn prooi zwemt. Jonge baarzen leven en jagen in groepen (scholen). Tijdens het jagen omsingelen ze een prooi en vallen deze vervolgens om de beurt aan. Oudere baarzen leven liever alleen.

Tiendoornige stekelbaars (Pungitius pungitius)

De tiendoornige stekelbaars dankt zijn naam aan de 8 tot 10 stekels die het visje op zijn rug draagt. Het stekelbaarsje is de kleinste vissoort die in Nederland in het wild thuis hoort en wordt maximaal 7 cm lang. Het visje heeft geen schubben, maar soms wel beenplaatjes. Dat zijn platte botjes, die onder de huid liggen. Dit visje leeft al duizenden jaren in Nederland, maar wordt meestal niet heel oud, 1 tot 2 jaar.

 In de periode mei tot juni gaan de stekelbaarzen paren. In deze periode is het mannetje prachtig roodgekleurd om indruk te maken op het vrouwtje. Het mannetje maakt dan een mooi nestje van steentjes en waterplanten met een tunneltje waar hij het vrouwtje doorheen lokt. Het is de bedoeling dat het vrouwtje daar haar eitjes gaat leggen. Daarna bevrucht het mannetje de eitjes. Het mannetje zorgt voor de eitjes en de jongen.

Verspreiding

In Nederland komt dit visje bijna in elk watertype voor. Het water moet voldoende waterplanten hebben en kleine steentjes op de bodem voor het bouwen van het nest. De tiendoornige stekelbaars komt niet alleen in Nederland voor, maar van Noordwest-Europa tot helemaal in Siberië (Rusland).

Blankvoorn (Rutilus rutilus)

De blankvoorn behoort tot de karperachtigen. Ze hebben een bruine tot blauwgroene rug en de zijkant van hun lichaam is zilverkleurig. Het oog is meestal oranjerood van kleur. Ze kunnen tot 45 cm lang worden en wel 13 jaar oud. Normaal gesproken kun je het verschil niet zien tussen een mannetje en een vrouwtje, maar in de paaiperiode (tijdens de voortplanting) zijn de kleuren van de mannetjes feller en krijgen ze kleine pukkeltjes: de paaiuitslag. Deze pukkeltjes kun je op de kop en aan de zijkant van het lichaam vinden. De mannetjes van deze soort planten zich na 2-3 jaar voor. De vrouwtjes na 3-4 jaar.  

Deze soort lijkt ook heel erg op een aantal andere vissensoorten. Om te weten of het een blankvoorn is of een van de andere soorten, kun je het aantal schubben op de zijlijn van de vis tellen. De zijlijn is meestal te zien als een smalle lijn over de zijkant van de vis. De zijlijn is een orgaan waarmee vissen bewegingen en trillingen in het water kunnen voelen.

Verspreiding

Je kunt de blankvoorn in Nederland bijna in alle watertypen vinden, behalve in kleine slootjes. Het is één van de meest algemene zoetwatervissen. Ook in Europa is de vis bijna overal te vinden. Ook voor de blankvoorn moet langs de oever veel waterplanten groeien en moet het water niet te diep zijn. Dit is vooral belangrijk voor de eitjes en jonge vissen.

Zeelt (Tinca tinca)

De Zeelt kun je in veel verschillende kleuren tegenkomen. Sommige zijn bijna zwart, anderen donkergroen en weer anderen geelachtig of grijsbruin. Het lichaam is bedekt met een dikke slijmlaag. De iris van hun oog is opvallend oranje gekleurd. Ze hebben hele kleine schubben en een korte vin op de rug. Aan de vinnen op de buik kun je zien of het een mannetje of een vrouwtje is. Bij het mannetje zijn deze vinnen groter en ronder en bij het vrouwtje kleiner en puntiger. Gemiddeld worden deze vissen tussen de 20 en 40 cm lang en kunnen ze wel 20 jaar oud worden.

Verspreiding

Deze vis kun je bijna overal in Nederland vinden waar veel waterplanten groeien en waar veel modder op de bodem ligt. In de nacht zijn ze actief en jagen ze op larven van insecten en kreeftachtigen. Ook eten ze plantendelen en organisch materiaal. De zeelt vindt 22 °C een fijne watertemperatuur. Wanneer het water 8 °C bereikt, blijft de vis dichtbij de bodem waar hij overwintert.