Bomen

In een arboretum vindt je bomen en struiken die van over de hele wereld zijn verzameld. Zo ook in het arboretum Heempark. In het verleden werden dergelijke verzamelingen aangelegd door vorsten om hun rijkdom en macht te tonen. Vandaag de dag zijn arboreta bronnen van kennis. Het Arboretum Heempark Delft stamt uit 1966 en is aangelegd als groene compensatie bij de stadsuitbreiding van de gemeente Delft. 

Hieronder worden enkele (soort)groepen kort beschreven. Voor een overzicht van de tuin en uitleg van alle aanwezige soorten verwijzen we u graag naar de website van Arboretum Heempark Delft.

Mispel (Mespilus germanica)

Bloeiperiode: mei
Vruchtperiode: najaar

De mispel is een struik uit de rozenfamilie. Er zijn ongeveer 90 soorten mispels wereldwijd en in het arboretum kun je 12 verschillende soorten aantreffen. Veel van deze soorten komen uit China. Dezemispels zien er allemaal anders uit, maar de meeste mispelsoorten in het arboretum zijn kleinere struiken die wit bloeien en rode bessen krijgen.

In Nederland komt in het wild ook een mispelsoort voor, deze wordt ook wel de wilde mispel (Mespilus germanica) genoemd. Deze soort is vrij zeldzaam en komt vooral in Zuid-Limburg en in Twente en de Achterhoek voor. Klik op het kaartje om te ontdekken waar de mispel nu groeit.

Het is een struik die tussen de 1,5 en 6 m hoog wordt. Het blad is langwerpig donkergroen. In mei bloeit de mispel met witte bloemen die wel lijken op de bloemen van een wilde roos. De vrucht die erin komt lijkt wel een beetje op een kleine peer. De vrucht zit vol vitamine c, maar is nog erg hard, melig en wrang. Pas na de eerste nachtvorst worden ze zacht en beter eetbaar.

Meidoorn (Crataegus sp.)

Bloeiperiode: mei -  juni
Vruchtperiode: vanaf september

De meidoorn is een struik uit de rozenfamilie. Er zijn honderden soorten meidoorns wereldwijd en in het arboretum kun je 3 verschillende soorten aantreffen. Een van de drie is de eenstijlige meidoorn die ook veel in Nederland in het wild voorkomt. De andere twee soorten zijn kruisingen.

De eenstijlige meidoorn vind je door heel Nederland bij bosranden, op open plekken in loofbossen, maar ook langs de duinen en in heggen. Klik op het kaartje om te ontdekken waar de eenstijlige meidoorn nu groeit.

Het is een struik die best groot kan worden, tot wel 10 m. De meidoorn begint, zoals de naam al doet vermoeden, te bloeien in mei. Hierbij zie je de witte bloemetjes in groepjes bij elkaar staan. Als je de bloemetjes ziet, kan je je voorstellen dat de meidoorn familie is van de rozen. Het lijken wel miniroosjes, die meidoornbloempjes. Aan de takken zitten hele scherpe stekels, doornen. Vanaf september zitten er rode bessen in de meidoorn waar vogels erg gek op zijn. Vooral vogels uit de lijsterfamilie eten graag van deze bessen, zoals de merel, de kramsvogel en de koperwiek.

Levensboom (Thuja sp.)

De levensboom is een boom uit cipresfamilie van het geslacht coniferen. Wereldwijd zijn er 5 soorten en in het arboretum kun je 2 van deze soorten aantreffen, de reuzenlevensboom en de westerse levensboom. Beide soorten komen uit Noord-Amerika. Ze zien er echt uit als coniferen, maar dan in boomvorm. 

In Nederland zijn deze beide soorten voor de sier aangeplant in tuinen, maar ook zijn ze voor bosbouw doeleinden aangeplant in de bossen. Ze komen echter maar op enkele plekken in het ‘wild’ voor. Klik op de kaartjes om te ontdekken waar deze soorten zijn waargenomen. 


De reuzenlevensboom staat erop bekend dat ze erg groot kunnen worden in hun oorspronkelijk leefgebied, wel 60-80 m hoog. De stam kan wel 3 tot 4 m in doorsnee worden. In Nederland worden ze niet zo omvangrijk. De westerse levensboom is een veel kleinere boom, vaak niet groter dan 15 m. Deze boom groeit vooral in natte bossen en doet het goed in moerassen.

Appel (Malus sp.)

Bloeiperiode: april
Vruchtperiode: najaar

De appel is een struik uit de rozenfamilie. Met Appels is heel veel gekruist, waardoor er honderden verschillende rassen zijn ontstaan. In het arboretum staan meerdere appelbomen, een paar daarvan komen uit Japan.

In Nederland komt in het wild ook een appelsoort voor, deze wordt de wilde appel genoemd. Daarnaast zijn er wel meer dan honderd verschillende appelrassen in Nederland. Vaak staan deze in tuinen of kwekerijen. De wilde appel is heel zeldzaam en komt op nog maar ene paar plekken in Nederland voor, zoals de Veluwe en in Drenthe. Klik op het kaartje om te ontdekken waar deze soort is waargenomen.

De wilde appel is een struik die 10 tot 12 m hoog kan worden maar meestal kleiner blijft. De uiteinden van de takken en twijgen van de wilde appel hebben doorns. In april bloeit de appel met witte bloemen. De appels die uit de bestoven bloemen ontstaan zijn vaak klein groen-geelachtig met een beetje een rode blos. De appel is vaak erg zuur en hard, maar kan best smakelijk zijn. 

Pijnboom (Dennen)

Bloeiperiode: mei - juni

Dennen zijn een geslacht uit de familie naaldbomen. Er zijn meer dan 200 soorten dennen wereldwijd en in het arboretum kun je 6 verschillende soorten aantreffen. Al deze soorten zijn ook in de bossen in Nederland aangeplant voor de bosbouw. Alleen de grove den komt van origine in Nederland in het wild voor, de andere soorten komen veelal uit andere delen van Europa. 

De grove den is een naaldboom waarbij de naalden gepaard, dus met zijn tweeën, aan de takken vast zitten. Een handig ezelsbruggetje om dit te onthouden is den begint met de letter D van duo wat twee betekent. De boom kan 25 tot 30 m hoog worden. Het zijn echte pioniers en kunnen goed groeien op arme zandgronden. In Nederland vind je de soort dan ook veel op de zandgronden in het midden en oosten van het land en de duinen. Klik op het kaartje om te ontdekken waar deze soort is waargenomen.

De grove den werd vroeger heel veel aangeplant op de Veluwe en in Drenthe op de heide en stuifzanden. De grove den was één van de enige boomsoorten die het stuivende zand vast kon leggen. Het hout werd veel gebruikt in de mijnbouw omdat het duidelijk kraakt voordat het breekt. De mijnwerkers wisten dan dat er teveel druk op het hout stond en konden zich nog in veiligheid brengen. 

Lariks (Larix decidua)

Bloeiperiode: april

De lariks is een boom uit de dennen familie. Er zijn 15 verschillende soorten lariksen wereldwijd en in het arboretum staat er daar 1 van. Dit is de Siberische lariks. Van nature komt er in Europa maar één larikssoort voor de Europese lariks. Deze is ook in de Nederlandse bossen aangeplant maar veel minder dan de Japanse lariks, een soort die zeer populair is in de bosbouw vanwege de snelle groei en de hoge kwaliteit van het hout.

In Nederland komt de Europese lariks maar zeldzaam voor en is te vinden in de bossen in Drenthe, de Veluwe, Twente en in Noord-Brabant. Klik op het kaartje om te ontdekken waar deze soort is waargenomen. De Europese lariks en de Japanse lariks lijken heel erg veel op elkaar en zijn lastig van elkaar te onderscheiden. De Europese lariks kan 40 m hoog worden, maar dat halen ze nooit in Nederland.

De naalden groeien in bosjes en zijn zacht en maar 2-3 cm lang. Om het verschil in naalden van naaldbomen te onthouden, kan je het volgende ezelsbruggetje gebruiken: Lariks begint met de L van legio dat veel betekent. Het bijzondere aan de lariks is dat ze in de winter hun naalden verliezen en in het voorjaar weer nieuwe naalden krijgen. In het voorjaar zijn deze naalden mooi lichtgroen en in het najaar verkleuren de naalden eerst geel voordat ze uiteindelijk afvallen.

Gewone magnolia (Magnolia x soulangeana)

Bloeiperiode: april

De magnolia is een struik. Wereldwijd zijn er ongeveer 300 soorten en in het arboretum kun je 3 verschillende magnolia’s aantreffen. 2 van de 3 struiken uit het arboretum komen uit Japan. In Nederland komen van nature in het wild geen magnolia’s voor, maar zijn ze wel veel als sierstruik in tuinen aangeplant. Ze worden ook wel beverboom genoemd.

Opvallend aan de magnolia is dat ze vroeg in het voorjaar uitbundig bloeien voordat er blad aan de struik komt. Veel van de soorten hebben witte tot zachtroze bloemen, maar er zijn ook varianten met diepdonkerrode of zelfs blauwe bloemen. Vaak zijn de bloemen ook erg groot. Sommige soorten bloeien ook twee keer per jaar, ze laten dan hun blad vallen om nog een keer te bloeien. 

Sering (Seringa vulgaris)

Bloeiperiode: april - mei

De sering is een struik uit de olijffamilie. Er zijn veel soorten seringen, maar dit komt vooral doordat de soort veel in tuinen aangeplant wordt. Er zijn veel variëteiten gekweekt met verschillende vormen en kleuren. In het arboretum staan 6 verschillende seringen, uit allerlei delen van de wereld. De sering komt van nature niet in Nederland in het wild voor, maar staat dus wel veel in tuinen.

Van oorsprong komt de sering uit Zuidoost-Europa, met name van de rotsachtige heuvelhellingen op de Balkan. Meestal wordt de struik ongeveer 3 tot 4 m hoog, maar sommige worden veel hoger, wel tot 7 m. De bloemen zitten bij elkaar in grote pluimen. De bloemkleur kan erg variëren per ras, van wit tot paars. De bloemen zijn erg aantrekkelijk vanwege de sterke zoete geur.

Haagbeuk (Carpinus betulus)

Bloeiperiode: april - mei

De haagbeuk is een boom uit de berkenfamilie. Wereldwijd zijn er 41 soorten haagbeuken, in het arboretum kun je 1 soort aantreffen: de gewone haagbeuk. Dit is ook de enige soort die van nature in Nederland voorkomt. Ondanks dat de twee soorten oppervlakkig op elkaar lijken zijn de haagbeuk en de gewone beuk niet aan elkaar verwant. Zo lang ze blad hebben kun je ze eenvoudig uit elkaar houden doordat de haagbeuk ‘tandjes’ aan de bladrand heeft, een beukenblad heeft dit niet.

Als de bomen in de winter en herfst geen blad hebben kun je aan de stam het verschil goed zien. De beuk heeft vaak een heel regelmatige, gladde stam terwijl de haagbeuk een erg grillige stam heeft waarbij het vaal lijkt alsof deze uit meerdere ‘bundels’ van aan elkaar vastgegroeide stammen bestaat. Voor een inheemse houtsoort is het hout van de haagbeuk zeer hard. Ook splijt het niet snel. Hierdoor werd het veel gebruikt voor het maken van hakblokken (bijvoorbeeld in een slagerij) en verschillende onderdelen van het binnenwerk van molens. Tegenwoordig, nu kunststof de rol van haagbeuk in deze gebruiksvoorwerpen heeft overgenomen, is er nog maar weinig vraag naar haagbeukhout.

Bruine beuk (Fagus sylvatica variant)

Bloeperiode: mei

De bruine beuk, ook wel bekend als de rode beuk, is een cultivar van de beuk, een inheemse boom die in Nederland veel in de natuur voorkomt. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar de beuk voorkomt. Door de bruinrode bladeren van deze cultivar is een bruine beuk altijd een markante boom. Deze boom wordt dan ook al eeuwenlang gebruikt bij de aanleg van parken en landgoederen.

Omdat het kweken van deze bruine beuken niet eenvoudig was werden ze vaak geënt. Daarbij werd een scheut van een rode beuk ‘vastgeplakt’ aan een afgezaagde stam van een gewone beuk waardoor de twee met elkaar vergroeiden tot één boom. Bruine beuken (en andere bomen) die op deze manier zijn behandeld, zijn te herkennen aan een ringvormig litteken op de plak waar de stam en de scheut ooit aan elkaar bevestigd zijn. Dit litteken bevindt zich vaak op 2 à 3 meter hoogte. Tegenwoordig hebben kwekers veel meer handigheid in het kweken van bruine beuken dan vroeger. Het enten is dus niet meer echt nodig om aan bruine beuken te komen en het gebeurt daarom nog maar weinig.

Naaldbomen (Coniferales)

Bloeiperiode: april - mei

We zijn in Nederland gewend aan naaldbomen in het bos. Bijna ieder bos heeft wel een aandeel naaldbomen en in veel opstanden zijn zelfs (bijna) alleen maar naaldbomen te vinden. In het verre verleden, toen de Nederlandse bossen nog niet sterk door mensen beïnvloed werden, was dat echter heel anders. Er kwamen toen in Nederland maar drie soorten naaldboom voor: de grove den, de taxus en de jeneverbes en die speelden maar een bescheiden rol in het bosbeeld. Het overgrote deel van het Nederlandse bos bestond uit loofbos.

Omdat veel soorten naaldbomen snel groeien en kwalitatief goed hout leveren, zijn mensen ze echter op grote schaal gaan aanplanten (en niet alleen in Nederland maar bijna overal waar naaldbomen willen groeien). De eerdergenoemde grove den is dankzij massale aanplant inmiddels de meest algemene boomsoort van Nederland en ook soorten die van oorsprong helemaal niet in Nederland voorkwamen, zoals de fijnspar, de douglasspar en de Japanse lariks kom je tegenwoordig veel tegen. Klik maar eens op het kaartje om te zien waar de fijnspar voorkomt. In de bouwmarkt wordt het hout van de grove den (en aanverwante soorten) verkocht als grenenhout. Het hout van de fijnspar wordt verkocht als vurenhout.

Eik (Quercus sp.)

Bloeiperiode: mei

In Nederland komen van nature twee soorten eiken voor. De zomereik (zie voor de verspreiding het eerste kaartje) en de wintereik (zie voor de verspreiding het tweede kaartje). Deze twee soorten lijken sterk op elkaar maar de zomereik is veruit het algemeenst. In de 19e eeuw is echter ook de Amerikaanse eik geïntroduceerd in Nederland als sierboom, vooral vanwege de prachtige herfstkleuren van de bladeren. 

De inheemse eiken waren eeuwenlang erg belangrijk voor de Nederlandse economie. Uit de bast werd namelijk een stof gewonnen die nodig was voor het looien van leer. Om deze redenen werd op veel verschillende plaatsen eikenhakhout geplant of onderhouden. Dit waren bosjes waarin eens in de 10 à 15 jaar de stammen boven de stamvoet werden afgezet. Vervolgens werd de schors (ook wel ‘eek’ genoemd) van de stammen verwijderd. Deze eek werd vervolgens in speciale molens verwerkt tot run, een vloeistof die looizuur bevat. Deze run was het product wat in de leerlooierij werd gebruikt om dierenhuiden tot leer te verwerken.

Ook het hout dat vrijkwam werd natuurlijk gebruikt, vaak als brandstof, maar ook als geriefhout om reparaties aan gebouwen uit te voeren of gereedschap van te maken. Met de komst van goedkope looistoffen uit het buitenland en later de introductie van chemische looistoffen kwam er een einde aan de eikenhakhoutcultuur in Nederland. De weinige actieve eikenhakhoutbossen die Nederland nog kent worden tegenwoordig vanwege hun waarde als cultureel erfgoed beheerd en onderhouden.

Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus)

Bloeiperiode: april - juni

De gewone esdoorn is een boom die van oorsprong voorkomt in Zuid- en Midden-Europa, maar die al eeuwen geleden is geïntroduceerd in Nederland en daarom als ‘ingeburgerd’ geldt. Dat wil zeggen dat de soort in de loop der tijd zijn eigen plaats heeft gevonden in de Nederlandse ecosystemen zonder nadelige gevolgen voor de biodiversiteit (in tegenstelling tot bijvoorbeeld invasieve exoten). Klik maar eens op de kaart, dan kan je zien waar deze soort allemaal is aangetroffen.
 

De gewone esdoorn heeft een zeer opvallende bladvorm die bij veel mensen associaties zal oproepen met de vlag van Canada. In het midden van deze vlag prijkt namelijk zeer prominent een esdoornblad. Dit is echter het blad van een nauw verwante soort die in Nederland niet voorkomt maar in Noord-Amerika zeer algemeen is, de suikeresdoorn. Deze soort is ook bekend omdat je van het sap (afgetapt in de late winter en het vroege voorjaar) de zoete ahornsiroop kunt maken, vandaar de naam suikeresdoorn. et hout van de gewone esdoorn leent zich goed voor het bouwen van meubels. Vanwege de lichte kleur is het ook populair in de interieurbouw.

Zwarte els (Alnus glutinosa)

Bloeiperiode: februari - maart

De zwarte els is een boom die van ‘natte voeten’ hout. Het is één van de weinig inheemse bomen die tegen permanent vochtige bodems kunnen. Je komt ze dus veel tegen in moerasbossen. Een veelvoorkomende vorm van moerasbos is dan ook het ‘elzenbroekbos’ (de term ‘broek’ heeft niets met het kledingstuk te maken, maar stamt af van het oud-Germaanse ‘broka’ dat moeras betekent). Elzenbroekbossen zijn te vinden op wat rijkere natte bodems (bijvoorbeeld bodems die gevoed worden door grondwater, dat vaak rijk is aan mineralen). Ook op armere natte bodems (waar de vochtvoorziening vaak afhankelijk is van regenwater, wat licht zuur is en arm aan mineralen en voedingsstoffen) kunnen moerasbossen voorkomen, maar hier groeien vaak berken in plaats van elzen. Je spreekt bij dat soort bossen dan ook van ‘berkenbroekbossen’.

Nederland was ooit bijzonder rijk aan beide typen broekbos, maar veel van deze bossen zijn al in de middeleeuwen gekapt. Vaak zijn de drassige bodems waarop ze stonden vervolgens ontwaterd (bijvoorbeeld door middel van inpoldering) ten behoeve van de landbouw. De term ‘broek’ is echter als toponiem in veel Nederlandse plaatsnamen bewaard gebleven (denk bijvoorbeeld aan Broekhuizen, Langbroek, Velperbroek en Kootwijkerbroek). Als je zo’n plaatsnaam tegenkomt weet je dus dat daar ooit zo’n indrukwekkend moerasbos heeft gestaan. 

 Klik maar eens op de kaart, dan kan je zien waar deze soort wordt aangetroffen.

Knotwilg (Salix sp.)

Bloeiperiode:april - mei

De knotwilg is geen boomsoort maar een snoeivorm. Een jonge, dunne wilg wordt op 1,5 á 2 meter hoogte afgesnoeid, waarna hij vanaf dit snijvlak verschillende nieuwe takken aan gaat maken. Deze takken, ook wel wilgentenen genoemd, waren het product waar het om te doen was. Door dit proces periodiek te herhalen maakt de wilg steeds meer tenen aan en blijft de boom laag genoeg om de tenen makkelijk te kunnen oogsten. In principe kunnen bijna alle soorten wilgen geknot worden, maar de katwilg, schietwilg en kraakwilg (en de hybride tussen de schietwilg en de kraakwilg) worden het meest gebruikt vanwege hun tolerantie voor overstromingen en de kwaliteit van de tenen. Klik op het kaartje om te zien waar de schietwilg voorkomt.

Doordat de wilgentenen van deze soorten sterk maar ook erg buigzaam zijn, zijn ze erg geschikt voor vlechtwerk. Je kunt er onder andere manden en matten van maken. De matten werden vroeger veelvuldig gebruikt voor het markeren van erfscheidingen en de bouw van leemmuren maar vooral ook voor waterbouwkundige werken. Een bekend voorbeeld van waterbouwkundige werken waarvoor wilgentenen werden gebruikt is de vervaardiging van zinkstukken: enorme matten van wilgentenen en riet (tegenwoordig is het riet veelal vervangen door kunststof, maar wilgentenen worden nog altijd gebruikt) die in het water werden afgezonken met behulp van stortsteen. Deze matten beschermden bodems en oevers tegen erosie en vervorming door stroming en golfslag. In een land als Nederland met zijn eindeloze strijd om het water te beteugelen, was er dus altijd een enorme vraag naar wilgentenen en er ontstond een heuse industrie rond het kweken en knotten van wilgen. Een wilgenplantage waar wilgen geknot worden om de tenen te oogsten wordt een griend genoemd. Op deze grienden werden de wilgen vaak lager afgezet (rond de 50 centimeter boven maaiveld) om het oogsten van de wilgentenen verder te vergemakkelijken.

Hazelaar (Corylus avellana)

Bloeiperiode: januari-maart
Vruchtperiode: augustus - oktober

De hazelaar is niet echt een boom maar een struik. Hij vormt een dichte bundel van stammen en heeft grote, ronde bladeren met een kleine punt aan het einde. Het meest bekend is deze struik natuurlijk vanwege zijn vruchten: hazelnoten. De hazelnoten die je in de winkel kunt kopen zijn veelal afkomstig van speciaal gekweekte cultivars van de hazelaar en enkele nauw verwante soorten die grotere noten produceren, maar ook de in het wild groeiende hazelaars geven heerlijke hazelnoten! Ook dieren zijn er dol op. Klik maar eens op de kaart, dan kan je zien waar de hazelaar pas nog is aangetroffen.

Gaaien leggen in de herfst vele verborgen voorraadjes aan van eikels, hazelnoten en andere vruchten om tijdens de koude wintermaanden op terug te vallen. Niet al deze voorraden worden benut en hazelnoten (en andere vruchten) die niet opgegeten worden kunnen ontkiemen en uitgroeien tot nieuwe planten. Ook is er een erg schattig klein zoogdiertje naar de hazelaar genoemd vanwege zijn voorliefde voor hazelnoten: de hazelmuis. Deze slaapmuis (zo genoemd vanwege de diepe winterslaap die ze elk jaar ondergaan) komt in Nederland in Zuid-Limburg op enkele plekken voor

Plataan (Platanus x hispanica (P. occidentalis x orientalis))

Bloeiperiode: mei

Platanen zijn niet inheems in Nederland maar worden veel aangeplant, vooral in stedelijke omgeving. We komen in Nederland twee soorten tegen, die beiden in het arboretum staan: de oosterse plataan en de gewone plataan (eigenlijk een hybride tussen de oosterse plataan en de westerse plataan). De gewone plataan is degene die veruit het meest geplant wordt. De soort is heel makkelijk herkenbaar aan zijn schors, dat afbladdert in een opvallende patroon dat wel iets weg heeft van militaire camouflage.

Platanen zijn uitstekend bestand tegen luchtverontreiniging, dat is dan ook één van de redenen dat je ze veel tegenkomt in de stad. Het hout leent zich goed voor het bouwen van meubels en houtsnijwerk maar in Nederland wordt de soort eigenlijk uitsluitend aangeplant om in stedelijk groen te voorzien en niet voor houtproductie.

Kers (Prunus sp.)

Bloeiperiode: april - mei

Tot de kersen rekenen we de verschillende soorten bomen en struiken uit het geslacht Prunus. De naam kers roept direct associaties op met de smakelijke rode vruchten die je in de zomer in de winkel en langs de weg kunt kopen, maar ook pruimen, abrikozen, perziken en amandelen zijn afkomstig van soorten uit dit geslacht. Daarnaast zijn er veel soorten die minder bekend zijn. De vruchten van de meeste van deze soorten zijn ook eetbaar, maar worden gewoonlijk niet geconsumeerd, omdat ze niet geschikt zijn voor commerciële teelt of simpelweg niet zo lekker zijn. Enkele soorten die je in Nederland kunt vinden zijn de zoete kers, de zure kers (de twee soorten waarvan de kersen die we uit de winkel kennen oorspronkelijk vandaan komen), de gewone vogelkers, de sleedoorn en de Amerikaanse vogelkers.

De Amerikaanse vogelkers komt, zoals de naam al dat vermoeden, uit Noord-Amerika. De soort is in Nederland geïntroduceerd als zogenaamd vulhout in naaldhoutplantages. De bladeren die afvallen in de herfst verteren snel waardoor er voedingsstoffen vrijkomen in de bodem en de aanwezigheid van de struiken dwingt de naaldbomen om snel en recht omhoog te groeien richting het zonlicht, beide eigenschappen zijn bevorderlijk voor de houtproductie van de naaldbomen. Halverwege de vorige eeuw kwam men er echter achter dat de soort zich zonder hulp ook erg enthousiast uitbreidde en niet veel later vormde het een ware plaag. De Amerikaanse vogelkers verdiende hiermee de bijnaam ‘bospest’ en is als invasieve exoot schadelijk voor de biodiversiteit. Ondanks intensieve inspanningen om de soort terug te dringen waarbij zelfs gif niet wordt geschuwd, blijkt de soort vanwege zijn geweldige verspreidingsvermogen (vogels en zoogdieren die de lekkere kersen opeten, poepen de pitten elders weer uit waarna uit de pitten nieuwe struiken kunnen ontkiemen) bijna onmogelijk om uit te roeien. Ondanks dat we er graag van af willen is de Amerikaanse vogelkers dan ook waarschijnlijk een blijvertje in Nederland. 

Sierkers

Bloeiperiode: november - april

Sierkersen behoren tot de eerder beschreven familie van de kersen. Deze soorten zijn echter niet populair vanwege smakelijke vruchten (ze maken amper vruchten aan en die zijn niet bijzonder lekker), maar vanwege hun uitbundige bloesem. Het zijn cultivars die door selectie en kruisen door telers nog uitbundiger bloeien dan hun wilde voorouders. Om deze reden zijn ze zeer populair in parken en tuinen. De meeste soorten zijn afkomstig uit Azië, en dan voornamelijk uit Japan. Het proces van selectie, kruisen en kweken is hier al eeuwen geleden begonnen. In het arboretum zijn drie soorten te vinden: de Tibetaanse sierkers, de Japanse sierkers en de winterbloeiende sierkers. De Tibetaanse sierkers is, in tegenstelling tot de meeste andere sierkersen, niet zo zeer populair vanwege zijn bloesem als wel vanwege de helder bruinrode bast. De winterbloeiende sierkers (what’s in a name) is vooral populair omdat hij van het late najaar tot en met het vroege voorjaar bloeit, als de meeste andere planten er maar kaal en grauw bij staan.