Studentenonderzoek

Binnen Bureau Biota worden ook studenten van hogescholen en universiteiten begeleid. 
Hieronder volgt een kort overzicht van de verschillende onderwerpen van de uitgevoerde stage- en afstudeerprojecten. 

Van luchtwachtcentrum tot vleermuisbunker

Luchtwachtcentrum Groningen 1955 - 1968 

Het Korps Luchtwachtdienst (KLD), opgericht in 1950, bestond uit een netwerk van 276 uitkijkposten
en 8 luchtwachtcentra in Nederland. In deze bunker, voltooid in 1955, huisde luchtwachtcentrum Groningen. Het KLD hield het luchtruim tot 1500 meter hoogte in de gaten. Zo konden ze laagvliegende (vijandelijke) vliegtuigen signaleren die lager vlogen dan de toenmalige radar kon waarnemen.

Het KLD bestond voor het grootste deel uit vrijwilligers, ’deeltijd’-militairen, die onder een relatief kleine militaire staf werkten. In Groningen zijn nog twee luchtwachttorens te zien, in Warfhuizen en Winschoten. De luchtwachters op de uitkijkposten speurden op zicht en gehoor het luchtruim af, om de positie van een vliegtuig zo nauwkeurig mogelijk te bepalen. De waarnemingen werden direct doorgegeven aan een regionaal meldpunt, het luchtwachtcentrum. 

In het luchtwachtcentrum werkten plotsters, de Luva’s (vrijwilligsters van de Luchtmacht vrouwenafdeling), die via hun headset telefonisch in verbinding stonden met de luchtwachters. Alle meldingen van vliegtuigen werden op de plottafel (grote kaart van de regio) met symbolen geregistreerd en voorzien van een pijltje voor het aangeven van de vliegrichting. Naast de plottafel bevond zich een verticaal ‘long-range’ bord, waarop ook alle meldingen van naburige groepen werden geregistreerd. Zo konden vliegtuigen die het bereik van een andere luchtwachtgroep binnenvlogen worden gevolgd. De luchtwachtcentra rapporteerden aan de centrale organisatie: Sector Operations Centre van het Commando Luchtverdediging, dat zo nodig tot actie overging. 

De komst van straaljagers en betere radar, maakte observatie op gehoor en zicht overbodig. In 1964 werd het KLD ingekrompen en in 1968 volledig opgeheven.

Wilt u meer lezen over het gebruik van de bunker, klikt dan één van onderstaande links.

Rapport Verscholen maar niet vergeten: de bunker aan de Hereweg

Marije Jousma

Student Rijksuniversiteit Groningen

Marije is in april 2019 gestart bij Bureau Biota met een project uitgevoerd voor de Rijksuniversiteit Groningen. Ze bestudeert het effect van nutriëntenverhoging en temperatuurverhoging op de samenstelling van xx in arctische meren.

De invloed van ganzen op de zoöplankton gemeenschap in ondiepe Arctische meren en poelen.

Zoöplankton is een groep organismen met een korte generatietijd, waardoor deze groep snel kan reageren op veranderingen van de omgeving. Dit maakt zoöplankton een geschikte indicatorgroep voor monitoring. De ganzenpopulatie op Spitsbergen is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Om te begrijpen wat voor gevolgen dit heeft op meertjes die verspreid liggen langs de kust, zijn er naast het nemen van planktonmonsters ook enkele (a)biotische factoren gemeten: ganzenkeutels, vegetatiebedekking, conductiviteit, pH en watertemperatuur.

De resultaten van dit onderzoek zullen hier na afloop worden samengevat.

Maarten Dorenkamp

Student Rijksuniversiteit Groningen

Maarten heeft in de periode mei 2016 - januari 2017 een onderzoek gedaan aan de plant krabbenscheer (Stratiotes aloides) als bioindicator voor de aanwezigheid van het aantal aanwezige individuen van de zeldzame libel, groene glazenmaker. Hiervoor heeft hij gedurende de zomer veel veldmetingen gedaan aan deze planten en meegeholpen met een lopend onderzoek aan de groene glazenmaker.

Morfologische aspecten van Stratiotes aloides als een indicator voor de mate van aanwezigheid van Aeshna viridis.

Krabbenscheer staat bekend als bioindicator voor verschillende aspecten als waterkwaliteit en biodiversiteit. Deze plant faciliteert verlanding en kan in voedselrijke wateren in hoge dichtheden aanwezig zijn. Door deze snelle groei en het afsterven van oude planten (in de winter), kan in korte tijd een dikke sliblaag op de bodem ontstaan. Deze sliblaag zorgt uiteindelijk voor het verdwijnen van de plant, waardoor het voortplantingshabitat van de zeldzame en streng beschermde libel, de groene glazenmaker, verdwijnt. In Nederland is deze libellensoort volledig afhankelijk van krabbenscheer. Bij afwezigheid van deze plant zal de libel verdwijnen en mogelijk uitsterven. Dit betekent dat locaties waar krabbenscheer voorkomt goed moeten worden onderhouden, waardoor verjonging van de vegetatie mogelijk is. 

Dit onderzoek heeft zich gericht op het vinden van morfologische aspecten van krabbenscheer, die als indicator kunnen dienen voor de mate van aanwezigheid van de groene glazenmaker. Tijdens het veldseizoen zijn verschillende aspecten gemeten aan krabbenscheer, zoals bladlengte, bedekkingspercentages, wortellengte, diameter, etc. Uit het onderzoek kwam naar voren dat vitaliteit van de planten de beste indicator is voor het aantal exuviae van groene glazenmakers en het aantal eiafzettende vrouwtjes. Andere indicatoren waren het aantal nieuwe scheuten aan de plant, het bladoppervlak (exuviae) en de diameter van de plant (eiafzet).

Bureau Biota Maarten Doornkamp
Krabbenscheer - Stratiotes aloides

Sytske Lankreijer

Student Vilentum Almere

Sytske heeft in 2015 een literatuurstudie gedaan naar de invloeden van gradienten in aquatische ecosystemen op biodiversiteit. Daarnaast heeft ze uitgezocht of het niet plegen van beheer aan krabbenscheervegetaties een nadelige invloed heeft op de groene glazenmaker. 

De invloed en haalbaarheid van verschillende typen gedifferentieerd beheer op de groene glazenmaker en andere karakteristieke macrofauna.

Bureau Biota gaat onderzoek doen naar een nieuwe vorm van beheer in watergangen, met name voor krabbenscheer, te weten ritssluitingbeheer. De hypothese is dat ritssluitingbeheer door het inbrengen van meer gradienten in het water een verhoging geeft aan de biodiversiteit. Daarnaast wordt verwacht dat deze nieuwe maaimethode resulteert in minder verlies van eitjes en larven van de groene glazenmaker, doordat per saldo minder biomassa wordt verwijderd bij de maaibeurt. 

Voor het behoud van soorten zijn processen die de ruimtelijke hetrogeniteit bepalen van curciaal belang. De heterogeniteit zorgt er voor dat soorten naast elkaar kunnen leven en elkaar niet wegconcurreren. Fasering van beheer in ruimte en tijd, heeft positieve invloed op de biodiversiteit in verschillende systemen. Dit geeft namelijk vluchtmogelijkheden voor de fauna en voor flora betekent dit dat zaadverspreiding vanuit overblijvende planten mogelijk blijft. 

Bureau Biota Sytske Lankreijer

Wilt u meer over het bovenstaande weten? Bel of mail ons gerust.
info@bureaubiota.com | 06 24 62 03 14