Studentenonderzoek

Binnen Bureau Biota worden ook studenten van hogescholen en universiteiten begeleid. 
Hieronder volgt een kort overzicht van de verschillende onderwerpen van de uitgevoerde stage- en afstudeerprojecten. 

Sanne Moedt

Student Rijksuniversiteit Groningen

Sanne heeft in de periode juli 2017 - november 2018 bij Bureau Biota haar afstudeerproject uitgevoerd voor de Rijksuniversiteit Groningen. Ze heeft het effect van ganzen bestudeerd op het leven in ondiepe Arctische meren en poelen. Ganzen spenderen tijdens de broedperiode veel tijd rond de meertjes langs de kust van Spitsbergen en dit zorgt voor een aanvoer van nutriënten in de vorm van ganzenkeutels. Om uit te zoeken wat de effecten zijn van deze nutriëntentoevoer heeft ze in de zomer van 2017 watermonsters verzameld op Spitsbergen bij meertjes met een verschillende mate van ganzenactiviteit. De focus lag tijdens het project op het bestuderen van de zoöplankton gemeenschap in deze meren.

De invloed van ganzen op de zoöplankton gemeenschap in ondiepe Arctische meren en poelen.

Zoöplankton is een groep organismen met een korte generatietijd, waardoor deze groep snel kan reageren op veranderingen van de omgeving. Dit maakt zoöplankton een geschikte indicatorgroep voor monitoring. De ganzenpopulatie op Spitsbergen is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Om te begrijpen wat voor gevolgen dit heeft op meertjes die verspreid liggen langs de kust, zijn er naast het nemen van planktonmonsters ook enkele (a)biotische factoren gemeten: ganzenkeutels, vegetatiebedekking, conductiviteit, pH en watertemperatuur.

Uit het onderzoek bleek dat het totale biovolume van zooplankton toeneemt bij een toenemende ganzenactiviteit. De toevoer van nutriënten uit ganzenkeutels leidt dus tot een verhoogde productiviteit van deze Arctische zoetwatersystemen. Een stijging van het nutriëntgehalte in Arctische meren leidt vaak tot een verschuiving van benthische primaire productie naar planktonische primaire productie. Als gevolg hiervan is ook een verschuiving in de grazers (bijv. watervlooien) te verwachten. Voor de watervlooien is er inderdaad een verschuiving van een voornamelijk littorale naar een meer planktonische gemeenschap gevonden. Deze verschuiving werd het beste verklaard door de conductiviteit van het water en vegetatiebedekking rondom de meertjes. Beide factoren zijn positief gecorreleerd aan de aanwezigheid van ganzen.

Naast zoöplanktonmonsters zijn er ook sieralgenmonsters verzameld. Deze zullen op een later moment worden geanalyseerd.

Maarten Dorenkamp

Student Rijksuniversiteit Groningen

Maarten heeft in de periode mei 2016 - januari 2017 een onderzoek gedaan aan de plant krabbenscheer (Stratiotes aloides) als bioindicator voor de aanwezigheid van het aantal aanwezige individuen van de zeldzame libel, groene glazenmaker. Hiervoor heeft hij gedurende de zomer veel veldmetingen gedaan aan deze planten en meegeholpen met een lopend onderzoek aan de groene glazenmaker.

Morfologische aspecten van Stratiotes aloides als een indicator voor de mate van aanwezigheid van Aeshna viridis.

Krabbenscheer staat bekend als bioindicator voor verschillende aspecten als waterkwaliteit en biodiversiteit. Deze plant faciliteert verlanding en kan in voedselrijke wateren in hoge dichtheden aanwezig zijn. Door deze snelle groei en het afsterven van oude planten (in de winter), kan in korte tijd een dikke sliblaag op de bodem ontstaan. Deze sliblaag zorgt uiteindelijk voor het verdwijnen van de plant, waardoor het voortplantingshabitat van de zeldzame en streng beschermde libel, de groene glazenmaker, verdwijnt. In Nederland is deze libellensoort volledig afhankelijk van krabbenscheer. Bij afwezigheid van deze plant zal de libel verdwijnen en mogelijk uitsterven. Dit betekent dat locaties waar krabbenscheer voorkomt goed moeten worden onderhouden, waardoor verjonging van de vegetatie mogelijk is. 

Dit onderzoek heeft zich gericht op het vinden van morfologische aspecten van krabbenscheer, die als indicator kunnen dienen voor de mate van aanwezigheid van de groene glazenmaker. Tijdens het veldseizoen zijn verschillende aspecten gemeten aan krabbenscheer, zoals bladlengte, bedekkingspercentages, wortellengte, diameter, etc. Uit het onderzoek kwam naar voren dat vitaliteit van de planten de beste indicator is voor het aantal exuviae van groene glazenmakers en het aantal eiafzettende vrouwtjes. Andere indicatoren waren het aantal nieuwe scheuten aan de plant, het bladoppervlak (exuviae) en de diameter van de plant (eiafzet).

Sytske Lankreijer

Student Vilentum Almere

Sytske heeft in 2015 een literatuurstudie gedaan naar de invloeden van gradienten in aquatische ecosystemen op biodiversiteit. Daarnaast heeft ze uitgezocht of het niet plegen van beheer aan krabbenscheervegetaties een nadelige invloed heeft op de groene glazenmaker. 

De invloed en haalbaarheid van verschillende typen gedifferentieerd beheer op de groene glazenmaker en andere karakteristieke macrofauna.

Bureau Biota gaat onderzoek doen naar een nieuwe vorm van beheer in watergangen, met name voor krabbenscheer, te weten ritssluitingbeheer. De hypothese is dat ritssluitingbeheer door het inbrengen van meer gradienten in het water een verhoging geeft aan de biodiversiteit. Daarnaast wordt verwacht dat deze nieuwe maaimethode resulteert in minder verlies van eitjes en larven van de groene glazenmaker, doordat per saldo minder biomassa wordt verwijderd bij de maaibeurt. 

Voor het behoud van soorten zijn processen die de ruimtelijke hetrogeniteit bepalen van curciaal belang. De heterogeniteit zorgt er voor dat soorten naast elkaar kunnen leven en elkaar niet wegconcurreren. Fasering van beheer in ruimte en tijd, heeft positieve invloed op de biodiversiteit in verschillende systemen. Dit geeft namelijk vluchtmogelijkheden voor de fauna en voor flora betekent dit dat zaadverspreiding vanuit overblijvende planten mogelijk blijft. 

Wilt u meer over het bovenstaande weten? Bel of mail ons gerust.
info@bureaubiota.com | 06 24 62 03 14