Moeras

Een moeras is een overgangsgebied tussen water en land. De grondwaterstand in deze gebieden is hoog en staat over het algemeen boven het maaiveld, dus boven de grond. In dit drassige land kom je planten en dieren tegen die goed zijn aangepast aan de natte omstandigheden. Qua planten vindt je in moerassen voornamelijk kruidachtige planten en maar weinig houtachtige planten als bomen en struiken. Door de natte omstandigheden kunnen zaden van bomen niet ontkiemen.

De grootste bedreiging voor moerassen is verdroging. Door verdroging kan successie (ontwikkelingsproces), die door het water werd tegengehouden, ervoor zorgen dat de ontwikkeling richting een bos weer op gang komt. De typische soorten van het moeras zullen dan verdwijnen.

Hieronder vind je informatie over verschillende soorten van het moeras.

Rietorchis (Dactylorhiza praetermissa)

Bloeitijd: juni - juli

Orchideeën zijn erg bekend, omdat ze zo mooi zijn. Ook hebben heel veel orchideeën bijzonder bloemvormen en zijn veel soorten zeldzaam. Dit maakt dat orchideeën bij veel mensen geliefd zijn.

De rietorchis is een plant met vele roze tot paarse lipbloemen die in een aar van zo’n 15 cm omhoog staan.  De lip van de bloem heeft donkere stippen of strepen. De lichtgroene bladeren staan schuin hoog en zijn langwerpig. De rietorchis kan zo’n 20 tot 60 cm hoog worden. Door de kleur en de vorm vallen deze orchideeën vaak op in het veld.

De rietorchis is een orchidee die verspreid over Nederland voorkomt, maar in het westen vrij algemeen is, maar zeldzamer in het midden en oosten van het land. Je vind ze op vochtige bodems die niet voedselrijk zijn, vaak zijn dit vochtige graslandjes of moerasachtige plekken. Ook in de duinen staat deze soort veel. Ze staan vaak op open plekken in de zon of in de halfschaduw. Klik op het kaartje om te zien waar deze soort groeit. 

Grote egelskop (Sparganium erectum)

Bloeitijd: juni - juli

De egelskop is een vaste plant die behoort tot de egelskop familie. In Nederland komen vier soorten egelskoppen voor: de grote egelskop, de kleine egelskop, de kleinste egelskop en de drijvende egelskop. De grote en de kleine egelskop komen allebei algemeen voor, de kleinste en de drijvende egelskop zijn beide erg zeldzaam.

De plant wordt 30 tot 100 cm hoog en vormt dikke wortelstokken. De stengel heeft een zestal dofgroene brede, lange, staande bladeren, waarvan de hogere bladeren boven de stengel uitsteken. De bloeiwijze ziet er bijzonder uit, het zijn verschillende ronde bolletjes met een soort ‘stekels’, vandaar de naam egelskop. De kleur van deze bolletjes is hetzelfde als de rest van de plant, maar in de bloeitijd zitten er witte dunnen uiteinden aan de ‘stekels’.

De grote egelskop staat op zonnige of halfbeschaduwde plaatsen in het water, vaak in sloten, vaarten of poelen. De plant is weinig kritisch voor zijn standplaats, dit kan van matig tot zeer voedselrijk, van zuur tot kalkhoudend, in zand, veen of kleibodem zijn. De grote egelskop komt algemeen en verspreid over heel Nederland voor. Klik op het kaartje om te zien waar deze soort groeit.

Gewoon spitskopje (Conocephalus dorsalis)

Vliegtijd: juli - oktober

Het gewoon spitskopje is een kleine groene sprinkhaan met een bruine rug uit de familie sabelsprinkhanen. Mannetjes en vrouwtjes zien er grotendeels hetzelfde uit, maar de vrouwtjes uit deze familie hebben een sabel aan het eind van hun achterlijf waarmee ze eitjes kan afzetten. Met deze sabel kan ze niet steken of prikken. Het gewoon spitskopje heeft, zoals de naam al doet vermoeden een spitse kop, die sterk schuin naar onderen afloopt. Ze hebben korte vleugels die bij het vrouwtje tot de helft van het achterlijf komen en bij het mannetje net iets over de helft. Het Zuidelijk spitskopje lijkt erg op het gewoon spitskopje, maar deze heeft vleugels die voorbij het achterlijf reiken.

Het gewoon spitskopje leeft in moerassen, oeverzones en vochtige graslanden. Ze zitten dan in vrij dichte en hoge vegetatie, waardoor ze lastig te vinden zijn. Ze komen wijd verspreid voor in Nederland. Klik maar eens op de kaart om te bekijken waar de soort pas nog is gevonden.

Het vrouwtje zet de eitjes één voor één af in delen van planten die boven de grond uit komen, meestal in russen of zeggen. De eitjes komen na één winter al uit waarna nimf vijf keer moet vervellen voordat het een volwassen dier is. De volwassen dieren kun je vinden vanaf eind juni tot in oktober. 

De zang van deze soort is erg hoog en is één van de eerste soorten die je niet meer kan horen als je ouder wordt. Met een batdetector is de zang wel goed op te pikken, omdat de zang lang wordt aangehouden. 

Vroege glazenmaker (Aeshna isoceles)

Vliegtijd: mei - augustus

Bij deze soort zijn zowel het mannetje als het vrouwtje grotendeels lichtbruin van kleur. Op het borststuk hebben ze enkele gele strepen. De lichtgroene ogen zijn een opvallend kenmerk voor deze soort. De vroege glazenmaker is 6 tot 6,5 cm groot. Jongere dieren kunnen vaak ver van het water gevonden worden, jagend langs de bosrand. Ook boven open rietland kun je ze vaak zien jagen.

De larven van deze glazenmaker leven één of twee jaar onder water. Anders dan de andere glazenmakers overwinterd de vroege glazenmaker als larve en niet als ei. De larven leven vooral tussen de ondergedoken waterplanten en tussen planten in de oeverzone. Vanaf eind april tot eind juni sluipen de larven uit en kun je de achtergebleven huidjes gaan zoeken. De meeste huidjes vind je tussen eind mei en half juni.

De vroege glazenmaker komt verspreid over Nederland voor, schaars op de zandgronden en algemeen in het laagveengebied. De soort komt voor in de verlandingszone van wateren, het deel dat dicht begroeid is met water- en oeverplanten. Ze hebben een grote voorkeur voor laagveenmoerassen, maar ook andere wateren met veel planten en schoon water hebben hun voorkeur. Klik maar eens op de kaart om te bekijken waar de soort pas nog is gevonden.

Glassnijder (Brachytron pratense)

Vliegtijd: maart - augustus

Deze glazenmaker is klein en vliegt erg vroeg in het seizoen. Het borststuk is lichtgroen met twee zwarte strepen en is bovenop vaak bruinig. Het achterlijf is een mozaiekpatroon van blauw en zwart bij het mannetje en geel en zwart bij het vrouwtje. Je kan hem snel verwarren met een paardenbijter, maar die vliegt pas veel later in het jaar. De glassnijder is 5,5 tot 6 cm groot. De mannetjes vliegen vaak laag over het water, dicht langs de oevervegetatie, op zoek naar vrouwtjes. Jagend vind je ze vaak langs bosranden of langs oevers met riet.

De larven van deze glazenmaker leven twee tot drie jaar onder water, dit is langer dan de andere glazenmakers. De larven leven tussen de waterplanten in ondiep water. Vanaf eind april tot begin juli sluipen de larven uit en kun je de achtergebleven huidjes gaan zoeken. De meeste huidjes vind je tussen eind mei en half juni. 

De glassnijder komt verspreid over Nederland voor met een voorkeur voor laagveengebieden en delen van het rivierengebied. De soort komt vooral voor in goed laagveenmoerassen met ontwikkelde, hoge water- en oeverplanten. Klik maar eens op de kaart om te bekijken waar de soort pas nog is gevonden. 

Kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus)

Broedperiode: april - oktober

Deze soort is een heel onopvallende vogel, egaal bruin van boven en vuilwit van onderen. Ze hebben verder geen specifieke kenmerken en het mannetje en het vrouwtje zien er hetzelfde uit. Het mannetje zingt in het voorjaar om aan andere mannetjes te laten weten dat dit zijn territorium is en om vrouwtjes te versieren. De zang is wel kenmerkend, waardoor je hem goed kan herkennen als je hem hoort. Met een beetje fantasie hoor je dat hij een deel van zijn eigen naam zegt, krr-krr-krr-kiet-kiet-kiet. Wanneer je op het plaatje van de zingende vogel klikt, kun je het geluid van de kleine karekiet horen. 

Het vrouwtje bouwt voornamelijk aan het nest. Ze weeft een diep komvormig nest tussen rietstengels, hier legt ze vier eitjes in. Het broeden duurt ongeveer twee weken, waarna de jongen ook nog ongeveer twee weken op het nest zitten. Daarna worden ze ook nog een poosje door de ouders gevoerd. Ze eten vooral insecten en zijn niet kieskeurig. 

De kleine karekiet is één van de meest gebruikte nesten waar de koekoek haar ei in legt. Als het koekoekjong uit het ei komt, werkt hij de andere eieren of jongen uit het nest en krijgt zo al het voedsel voor zichzelf. De ouders behandelen het koekoeksjong als hun eigen jong, ook al is hij uiteindelijk veel groter dan zijzelf.

De kleine karekiet overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara en komt in de zomer naar Nederland om te broeden. De kleine karekiet leeft vooral in rietmoerassen en rietkragen. Klik maar eens op de kaart om te bekijken waar ze pas nog zijn gezien.

Blauwborst (Luscinia svecica)

Broedperiode: maart - oktober

De naam van dit vogeltje verteld eigenlijk alleen hoe het mannetje eruit ziet. Een bruinig vogeltje van boven met een helder blauwe borst met een witte stip erin. Onder deze blauwe borst heeft hij nog een veeg zwart en een deel oranje. Hierdoor valt hij goed op als hij bovenin een rietstengel zit te zingen. De staart is bij de stuit ook oranje met aan het eind een dikke zwarte band. Het vrouwtje heeft geen blauwe borst, maar wel dezelfde staart. Het mannetje zing om zijn territorium aan te geven en om een vrouwtje te versieren. De zang is zeer gevarieerd en hij kan daarbij ook andere vogels imiteren. Wanneer je op het plaatje van de zingende vogel klikt, kun je het geluid van de kleine karekiet horen.

Het vrouwtje van de blauwborst heeft in april tot juli 1 of 2 nestjes, met 3 tot 7 eitjes. Het nestje wordt op de grond gemaakt, verstopt tussen de vegetatie. Het broeden duurt ongeveer 2 weken, waarna de jongen ook nog ongeveer 2 weken op het nest zitten. Ze eten vooral insecten, larven, wormen en slakjes.

De blauwborst overwintert op het Iberisch schiereiland en in westelijk Afrika ten zuiden van de Sahara. Vanaf maart komen ze weer naar Nederland om hier te broeden. De blauwborst leeft vooral in natte, insectenrijke gebieden met open delen en stukken struweel. Klik maar eens op de kaart om te bekijken waar ze pas nog zijn gezien.