Wet natuurbescherming - vleermuizen

Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn streng beschermd onder de Wet natuurbescherming. De verschillende soorten hebben gedurende het jaar verschillende verblijfplaatsen. Voor elke soort is dit weer anders. De ene soort heeft verblijfplaatsen in holle bomen of achter loshangend schors. De andere soort heeft een voorkeur voor bebouwing, zoals holtes in spouwmuren, onder dakpannen en achter dakbeschot.

Het team van Bureau Biota is ook deskundig op het gebied van vleermuisonderzoek. Bij ruimtelijke ingrepen is het in het kader van de Wet natuurbescherming vaak nodig om in plangebieden onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van vleermuizen en de wijze waarop deze dieren gebruik maken van het terrein. Wanneer goed in beeld is welke soorten wanneer en met hoeveel dieren gebruik maken van structuren binnen het landschap, kan goed in beeld worden gebracht wat de beoogde plannen voor effect hierop hebben. Dit onderzoek wordt altijd conform het vigerende Vleermuisprotocol uitgevoerd. Wanneer er noodzaak is voor onderzoek en wat dit voor u betekent leggen we uit in onderstaand stroomschema.

Quickscan Wet natuurbescherming

Voor het uitvoeren van een onderzoek naar vleermuizen, worden verschillende stappen gevolgd zoals in het diagram hierboven is aangegeven. Voor een nader onderzoek vleermuizen moet rekening worden gehouden met een onderzoek van in ieder geval één kalenderjaar. Hieronder vindt u een nadere uitleg over de verschillende te volgen stappen.

Stap 1. U vraagt een vleermuisonderzoek aan i.v.m. een ruimtelijke ontwikkeling

Vleermuizen zijn wettelijk beschermde dieren en een groot aantal soorten verblijft graag en vaak in of in de nabijheid van gebouwen, waterwegen en bos(jes). Hierdoor komen ze vaak voor op plaatsen waar ruimtelijke ingrepen gepland zijn. Vanwege de wettelijk beschermde status van deze dieren, zijn werkzaamheden waar vleermuizen nadeel van kunnen ondervinden niet zonder meer toegestaan. Het is bij zo’n voorgenomen ingreep dan ook noodzakelijk om goed in beeld te brengen of in het plangebied potenties aanwezig zijn voor gebruik van het terrein door vleermuizen.

Stap 2. Uitvoering quickscan in het plangebied

Een quickscan is een kort (tijdsduur: gewoonlijk één veldbezoek, afhankelijk van de omvang en complexiteit van het plangebied), maar grondig onderzoek waarbij een inschatting wordt gemaakt of in het plangebied potenties aanwezig zijn voor gebruik door vleermuizen (en eventueel andere beschermde dier- en/of plantensoorten, afhankelijk van de vraag van de opdrachtgever). Hierbij wordt de vraag of vleermuizen daadwerkelijk gebruik maken van het plangebied dus niet beantwoord, maar wordt puur gefocust op het beantwoorden van de vraag of de omstandigheden binnen het plangebied eventueel geschikt zijn als foerageergebied of verblijfplaats voor vleermuizen.

Stap 3a. Uit de quickscan komen GEEN potenties voor vleermuizen naar voren

Als uit de quickscan blijkt dat in het plangebied geen potenties aanwezig zijn voor gebruik van het terrein door vleermuizen, dan mag er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat vleermuizen ook geen nadeel ondervinden van de werkzaamheden en zijn deze dus niet in strijd met de Wet natuurbescherming. De resultaten van de quickscan worden schriftelijk gerapporteerd. Let op: wanneer een quickscan is uitgevoerd waarbij alleen potenties voor vleermuizen zijn onderzocht geldt deze conclusie niet voor andere beschermde dier- en plantensoorten. Tenzij er zwaarwegende redenen zijn om potenties voor verschillende soortgroepen door verschillende partijen te laten onderzoeken is het dus raadzaam om een quickscan uit te laten voeren waarbij potenties voor alle beschermde dier- en plantensoorten in één keer worden onderzocht.

Ga verder naar stap 4a

Stap 3b. Uit de quickscan komen WEL potenties voor vleermuizen naar voren

Tijdens de quickscan is vast komen te staan dat het plangebied potenties heeft voor gebruik door vleermuizen. Er zijn verschillende manieren waarop een terrein één of meerdere functies kan bekleden voor (verschillende soorten) vleermuizen. Denk hierbij aan functies als foerageergebieden, vaste vlieg- en migratieroutes en verblijfplaatsen. Om enkele voorbeelden te geven:

- Lange bomenlanen in verder een vrij open landschappen worden vaak gebruikt als vlieg- en migratieroutes, omdat vleermuizen van beschutting houden tijdens het vliegen;

- Open stootvoegen (breder dan 1 centimeter) in een spouwmuur geven vleermuizen toegang tot de spouw, waardoor het mogelijk is dat zich een vleermuizenverblijf in de spouw bevindt;

- Spleten en holtes in bomen worden door vleermuizen ook graag als verblijfplaats gebruikt.

 De resultaten van de bovengenoemde quickscan worden schriftelijk gerapporteerd.

Ga verder met stap 4b.

Stap 4b. Het is nodig een nader onderzoek naar vleermuizen uit te voeren

Als uit de quickscan blijkt dat in het plangebied potenties aanwezig zijn voor gebruik door vleermuizen, dient onderzocht te worden of vleermuizen ook daadwerkelijk gebruik maken van het plangebied. Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van verschillende verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageerroutes. De potentieel geschikte locaties worden dus niet altijd het gehele jaar door benut.

Om een voorbeeld te geven: als bij een geplande ruimtelijke ingreep een boom moet worden verwijderd, kan het zijn dat tijdens een quickscan in deze boom een holte wordt ontdekt die geschikt lijkt als verblijfplaats voor vleermuizen. Dit betekent echter niet automatisch dat deze holte ook daadwerkelijk door vleermuizen als verblijfplaats wordt gebruikt. Dit zal gedurende een jaar nader moeten worden onderzocht.

Een nader onderzoek vleermuizen is het instrument om vast te stellen of de aangetroffen potenties binnen een plangebied ook daadwerkelijk door vleermuizen worden benut.

Ga verder naar stap 5.

Nader onderzoek naar vleermuizen

Nadat uit een quickscan Wet natuurbescherming is gebleken dat in het plangebied potenties voor vleermuizen aanwezig zijn, zal een nader onderzoek vleermuizen moeten worden uitgevoerd. Net als voor de quickscan kan voor een nader onderzoek een stappenplan worden gevolgd, zoals hierboven weergegeven. Een nadere uitleg per stap wordt hieronder weergegeven.

Stap 4b. Uitvoering van een nader onderzoek vleermuizen (gedurende één kalenderjaar)

Een nader onderzoek vleermuizen is een uitgebreid en langdurend (tijdsduur: één kalenderjaar) onderzoek waarbij onderzocht wordt of de potenties die zijn aangetroffen bij de quickscan ook daadwerkelijk benut worden door vleermuizen. Bij dit onderzoek wordt het plangebied minimaal vijf keer bezocht. De reden dat dit onderzoekstraject een jaar in beslag neemt en minimaal vijf bezoeken aan het plangebied afgelegd worden, heeft te maken met de ecologie van vleermuizen. Vleermuizen hebben een jaarcyclus waarbij ze het landschap op verschillende manieren gebruiken. Zo maken vleermuizen gebruik van een zogenaamd ‘netwerk van verblijfplaatsen’ waarbij de verschillende verblijfplaatsen in dit netwerk verschillende functies bekleden. Tijdens de winterslaap, waarbij ze gedurende de koudste maanden van het jaar (ruwweg van februari/maart tot en met oktober/november) veelal inactief zijn, bevinden ze zich in hun winterverblijven. In de maanden waarin ze actief zijn is het beeld echter complexer. In deze seizoenen gebruiken de vleermuizen een veelheid aan rustverblijven, kraamverblijven en paarverblijven waartussen met hoge frequentie gewisseld kan worden. De verschillende soorten verblijfplaatsen worden alleen in specifieke periodes van het jaar gebruikt.

Stap 5a. Uit het nader onderzoek blijkt dat vleermuizen GEEN gebruik maken van het plangebied

Als tijdens het nader onderzoek niet wordt vastgesteld dat de tijdens de quickscan aangetroffen potenties benut worden door vleermuizen, is de voorgenomen ruimtelijke ingreep niet in strijd met de Wet natuurbescherming. De resultaten van het nader onderzoek vleermuizen worden schriftelijk gerapporteerd.

NB: net als bij punt 3a geldt dat wanneer een nader onderzoek is uitgevoerd waarbij alleen terreingebruik door vleermuizen is onderzocht, dan geldt deze conclusie niet voor andere beschermde dier- en plantensoorten.

Ga verder naar stap 7a.

Stap 5b. Uit het nader onderzoek blijkt dat vleermuizen WEL gebruik maken van het plangebied

Het kan zijn dat tijdens het nader onderzoek blijkt dat de potenties die zijn aangetroffen tijdens de quickscan inderdaad worden benut door vleermuizen. Dit kan gaan om verblijfplaatsen in bijvoorbeeld boomholtes, spouwmuren, achter gevelbetimmering of op zolders, maar het kan ook gaan om foerageergebieden of vlieg-/migratieroutes. Als bij de geplande ruimtelijke ingrepen een van deze gebruiksfuncties in het geding komt is de ingreep in strijd met de Wet natuurbescherming en is een ontheffing van deze wet nodig. De resultaten van het nader onderzoek vleermuizen worden schriftelijk gerapporteerd.

Ga verder naar stap 7b.

Stap 6b. U heeft WEL een ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming

Wanneer uit het nader onderzoek vleermuizen blijkt dat de wijze waarop vleermuizen gebruik maken van het plangebied in het geding komt bij de voorgenomen ruimtelijke ingreep, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Deze moet worden aangevraagd bij de provincie(s) waarin het plangebied gelegen is. Voor deze ontheffingen vragen de provincies leges waarvan de hoogte per provincie verschilt. Voor een aanvraagtraject geldt een beslistermijn van 13 weken, met een mogelijke verlenging van 7 weken.

Bij het indienen van het ontheffingsverzoek dient onder andere een activiteitenplan te worden aangeleverd, waarin onder meer de mitigatie en/of compensatie van nadelige effecten op vleermuispopulaties worden beschreven. Het opstellen van een dergelijk activiteitenplan vergt de nodige ecologische kennis over de aangetroffen soorten beschermd onder de Wet natuurbeschermig. Bureau Biota kan hier desgewenst in faciliteren.

Ga verder naar stap 8.

Stap 7. Opstellen van een activiteitenplan

Ook bij het opstellen van een mitigatie- en/of compensatieplan kunt u van de diensten van Bureau Biota gebruik maken. Bureau Biota werkt met de door BIJ12 opgestelde kennisdocumenten die voor verschillende soorten vleermuizen (en andere beschermde soorten) richtlijnen voor mitigatie- en/of compensatiemaatregelen geven. Indien sprake is van soorten waarvoor (nog) geen kennisdocument bestaat, wordt gebruik gemaakt van expert judgment. Het werken volgens de in de kennisdocumenten uitgezette methoden is voor het bevoegd gezag (de provincie) een belangrijk criterium op grond waarvan ontheffingsaanvragen beoordeeld worden en deze werkwijze geeft dus de beste kansen op goedkeuring van de ontheffingsaanvraag. Ook het waarborgen van ecologische begeleiding van de werkzaamheden wordt meegenomen in de beoordeling van het verzoek en zijn dus verstandig om op te nemen in het activiteitenplan.

Stap 8a. Ontheffingsaanvraag wordt afgewezen

De ontheffingsaanvraag kan door de provincie worden afgewezen. Dit kan zijn omdat de plannen voor mitigatie, compensatie, begeleiding en monitoring te mager worden bevonden. In dit geval kan het aanpassen, aanvullen en verbeteren van deze plannen en het opnieuw indienen van het verzoek alsnog in een ontheffing resulteren.

Het kan echter ook zijn dat de provincie het belang van het waarborgen van de gunstige staat van instandhouding van de vleermuissoort(en) in kwestie zwaarder vindt wegen dan het belang van de opdrachtgever om de geplande werkzaamheden uit te mogen voeren. Als het risico op nadelige effecten op de staat van instandhouding van de soort(en) te groot wordt geacht, ongeacht hoe de werkzaamheden uitgevoerd worden, zal de provincie ook na eventuele aanpassingen aan het activiteitenplan geen ontheffing verlenen.

Stap 8b. Ontheffingsaanvraag wordt goedgekeurd

Wanneer de plannen voor mitigatie, compensatie, begeleiding en monitoring toereikend worden bevonden en het daarmee voldoende is onderbouwd dat er geen risico op nadelige effecten op de staat van instandhouding van de vleermuissoort(en) in kwestie te verwachten valt, wordt de ontheffingsaanvraag goedgekeurd en de ontheffing verleend. Dit betekent dat er aangevangen kan worden met de geplande werkzaamheden, mits het opgestelde activiteitenplan en de eventueel door de provincie opgelegde aanvullingen/aanpassingen daarbij precies opgevolgd worden. Soms legt de provincie bijvoorbeeld een aanvullende monitoring op om effecten op beschermde soorten beter in beeld te krijgen. Deze maken dan deel uit van de te ontvangen ontheffing en u bent dan verplicht deze uit te voeren.

Ga verder naar stap 10.

Stap 9. Begeleiding bij uitvoering van activiteitenplan en monitoring genomen maatregelen

Na het verkrijgen van de ontheffing is het proces nog niet ten einde. De plannen mogen door gaan, maar alleen wanneer op het terrein waar de ontwikkeling plaatsvindt ook een ecologisch werkprotocol aanwezig is waarin zichtbaar is gemaakt dat alle betrokken partijen kennis hebben genomen van het document. Normaliter wordt dit werkprotocol bij aanvang van de werkzaamheden in een overleg met alle betrokken partijen inclusief de ecoloog die de ontwikkelingen begeleid besproken. In sommige gevallen dient een logboek te worden bijgehouden voor bepaalde werkzaamheden, zodat kan worden aangetoond dat men de werkzaamheden conform de bepalingen uit de Wet natuurbescherming uitvoert.

Wilt u meer over het bovenstaande weten? Bel of mail ons gerust.
info@bureaubiota.com | 06 24 62 03 14